ECLI:NL:HR:2005:AU1807
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- E.J. Numann
- J.C. van Oven
- Rechtspraak.nl
Overgang van onderneming en loonvordering bij arbeidsovereenkomst
In deze zaak vordert de werknemer een verklaring dat hij met ingang van 1 mei 2000 krachtens overgang van onderneming van rechtswege in dienst is getreden bij de eiser, en betaling van salaris vanaf 1 november 2000 tot het einde van het dienstverband. De kantonrechter en het gerechtshof hebben deze vorderingen toegewezen en het ontslag van de werknemer door de vorige werkgever niet rechtsgeldig geacht.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof omdat het hof niet voldoende heeft gemotiveerd waarom het het nieuwe, uiterst subsidiaire beroep op matiging van de loonvordering door de eiser buiten beschouwing liet. Dit beroep hield in dat de werknemer gedurende de loonperiode in dienst zou zijn geweest bij een uitzendbureau, wat de loonvordering zou kunnen matigen.
De Hoge Raad wijst erop dat het hof dit beroep had moeten behandelen of nader motiveren waarom dit niet mogelijk was, mede gelet op de toepasselijkheid van artikel 7:680a BW. De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling en beslissing, waarbij nader onderzoek naar het matigingsverweer moet plaatsvinden.
De Hoge Raad veroordeelt de werknemer in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak voor nader onderzoek naar matiging van de loonvordering terug naar het hof.