ECLI:NL:HR:2005:AU2227
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Toepassing van art. 63 Sr bij opeenvolgende veroordelingen en strafmatiging wegens termijnoverschrijding
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld tot tien dagen gevangenisstraf wegens opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk bevel (art. 184 Sr Pro) na eerdere veroordelingen voor soortgelijke strafbare feiten.
Het geschil spitst zich toe op de toepassing van artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht, dat regels geeft voor het berekenen van de straf bij opeenvolgende veroordelingen voor feiten die vóór eerdere veroordelingen zijn gepleegd. De Hoge Raad verduidelijkt dat de rechter moet nagaan wat de maximale tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest als alle feiten samen waren behandeld, en dat de opgelegde straf niet hoger mag zijn dan dit maximum verminderd met eerder opgelegde straffen.
In deze zaak was vastgesteld dat bij samenvoeging van alle feiten een maximale gevangenisstraf van 64 maanden had kunnen worden opgelegd, terwijl verdachte reeds 17,5 maand gevangenisstraf had gekregen. De opgelegde straf van tien dagen voor het onderhavige feit overschrijdt deze grenzen niet.
Daarnaast hield het hof rekening met een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer 22 maanden, wat leidde tot matiging van de straf. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof, waarmee de strafoplegging en de toepassing van art. 63 Sr Pro werden bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de straf van tien dagen gevangenisstraf en wijst het cassatieberoep af.