ECLI:NL:HR:2005:AU4487

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R05/022HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 2 FwArt. 350 lid 3 onder c en d FwArt. 16 Fw
Verwijzingen
4 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling discretionaire bevoegdheid bij hernieuwd verzoek schuldsaneringsregeling na faillissement

De zaak betreft een verzoeker die na een eerdere toepassing en tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) en een daaropvolgend faillissement opnieuw een verzoek tot toepassing van de regeling indiende.

De rechtbank wees het verzoek af en het hof bekrachtigde dit oordeel. Het hof stelde dat een verzoek kan worden afgewezen indien binnen tien jaar voorafgaand aan het verzoek een schuldsaneringsregeling van toepassing was geweest, tenzij bijzondere omstandigheden toelating rechtvaardigen.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof de wettelijke bepaling omtrent de discretionaire bevoegdheid niet onjuist had uitgelegd, ondanks een minder gelukkige formulering. De rechter moet terughoudend zijn bij toelating tot de regeling binnen de tienjaarstermijn na eerdere toepassing en beëindiging op grond van wanprestatie.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het hof relevante omstandigheden heeft meegewogen in zijn beslissing.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hernieuwde verzoek tot schuldsaneringsregeling wordt afgewezen.

Uitspraak

18 november 2005
Eerste Kamer
Rek.nr. R05/022HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 5 oktober 2004 ter griffie van de rechtbank te Zwolle, locatie Lelystad, ingediend verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - zich gewend tot die rechtbank en verzocht de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing te verklaren.
De rechtbank heeft bij vonnis van 21 december 2004 het verzoek afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.
Bij arrest van 10 februari 2005 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Bij vonnis van 23 november 1999 heeft de rechtbank te Assen ten aanzien van [verzoeker] de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Deze toepassing is bij vonnis van de rechtbank te Assen van 19 december 2000 op de voet van art. 350 lid Pro 3, onder c en d, F. tussentijds beëindigd omdat [verzoeker] nieuwe schulden had laten ontstaan en niet aan zijn informatieplicht had voldaan. [Verzoeker] verkeerde, toen dit vonnis in kracht van gewijsde ging, van rechtswege in staat van faillissement. Dit faillissement is inmiddels op de voet van art 16 F. opgeheven.
3.2 In zijn verzoekschrift van 5 oktober 2004 heeft [verzoeker] opnieuw toepassing verzocht van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank te Zwolle heeft dit verzoek bij vonnis van 21 december 2004 afgewezen. Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd. [verzoeker] heeft, naar het hof heeft vastgesteld, een totale schuldenlast van € 134.453,46, die in de loop der jaren is ontstaan.
3.3 Het hof heeft in rov. 3.4 overwogen:
"Een verzoek tot toepassing van de schuldsanering wordt afgewezen indien minder dan tien jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de schuldenaar desondanks tot de schuldsaneringsregeling dient te worden toegelaten."
Onderdeel 2.1 van het middel klaagt dat het hof aldus tot een onjuiste verwoording is gekomen van het in deze geldende art. 288 lid Pro 2, aanhef en onder a, F., nu daar staat dat het verzoek kan worden afgewezen indien minder dan tien jaar voorafgaande aan de dag van indiening van het verzoekschrift de schuldenaar ingevolge een bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak in staat van faillissement heeft verkeerd of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest. Onderdeel 2.2 wijst erop dat het hier niet gaat om een verplichte afwijzingsgrond. Onderdeel 2.5 herhaalt de klacht van onderdeel 2.1.
3.4 De klacht is in zoverre gegrond dat het hof inderdaad in de geciteerde passage de strekking van de in art. 288 lid Pro 2, aanhef en onder a, F. neergelegde bepaling niet juist heeft verwoord. Tot cassatie kan dit evenwel niet leiden, omdat de minder gelukkige woordkeuze van het hof er niet op duidt dat het miskend heeft dat deze bepaling aan de rechter een discretionaire bevoegdheid geeft. Het hof heeft, mede gezien zijn rov. 3.2 en het vervolg van rov. 3.4, tot uitdrukking gebracht dat het tot uitgangspunt neemt dat terughoudendheid is geboden bij toelating tot de schuldsaneringsregeling van een schuldenaar, zoals [verzoeker], ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling binnen de tienjaarstermijn van art. 288 lid Pro 2, aanhef en onder a, F. reeds van toepassing is geweest terwijl die toepassing is beëindigd op grond van het bepaalde in het derde lid, onder c en d, van art. 350 F. Dat uitgangspunt geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
3.5 Onderdeel 2.4 bestaat in een motiveringsklacht. Volgens het onderdeel blijkt niet dat het hof een aantal in onderdeel 2.3 genoemde relevante aspecten heeft meegewogen. Deze klacht faalt. Uit de rov. 3.2 - 3.5 van het arrest blijkt dat het hof de in onderdeel 2.3 bedoelde omstandigheden wel degelijk in aanmerking heeft genomen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 18 november 2005.