ECLI:NL:PHR:2007:AZ6534
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsanering wegens ontbreken goede trouw bij ontstaan schulden
In deze zaak ging het om het verzoek van een schuldenaar om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank had het verzoek afgewezen omdat de schuldenaar niet te goeder trouw zou zijn geweest bij het ontstaan van zijn schulden. Het hof bekrachtigde dit oordeel en stelde dat de schuldenaar ondanks zijn financiële situatie verwijtbaar leningen was aangegaan en onvoldoende had aangetoond dat hij zich had ingespannen om zijn schulden af te lossen.
De schuldenaar stelde in cassatie dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom deelname aan budgetbeheer en het aanbieden van een akkoord aan schuldeisers niet als aflossing naar vermogen konden worden gezien. De Hoge Raad oordeelde dat het hof een feitelijk oordeel had gegeven dat niet op juistheid kan worden getoetst in cassatie. Bovendien was het aangeboden akkoord onvoldoende onderbouwd in het dossier.
De Hoge Raad benadrukte dat de facultatieve weigeringsgrond van artikel 288 lid 2 sub b Faillissementswet Pro niet bedoeld is als straf, maar om misbruik van de schuldsaneringsregeling te voorkomen. De toets is een prognose of de schuldenaar zich aan zijn verplichtingen zal houden. Omdat de schuldenaar onvoldoende had aangetoond dat hij naar vermogen aflost, was het oordeel van het hof niet onjuist of onbegrijpelijk.
De conclusie van de procureur-generaal was dat het cassatieberoep verworpen moet worden, waarmee het arrest van het hof in stand blijft. Hiermee wordt bevestigd dat het niet te goeder trouw ontstaan van schulden en het ontbreken van inzet tot aflossing een geldige grond is om schuldsanering te weigeren.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw bij het ontstaan van de schulden.