ECLI:NL:HR:2006:AU4676
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- J.W. Ilsink
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vermindert gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cocaïnehandelzaak
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor meerdere feiten van medeplegen van het opzettelijk binnen Nederland brengen van grote hoeveelheden cocaïne. De verdediging verzocht om uitwerking van processen-verbaal van eerdere terechtzittingen vóór het requisitoir en pleidooi of, subsidiair, om aanhouding van de zaak. Dit verzoek werd afgewezen omdat de processen-verbaal conform de wet pas na sluiting van het onderzoek worden opgemaakt en beschikbaar gesteld.
Het hof heeft de tenlasteleggingen zo uitgelegd dat de passages na het woord "immers" een nadere omschrijving van het handelen onder artikel 1 lid 4 Opiumwet Pro zijn, en heeft de verdachte bewezen verklaard voor het medeplegen van het binnenbrengen van cocaïne zonder de aanvullende passage van artikel 1 lid 4 Opiumwet Pro in de bewezenverklaring op te nemen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof hiermee de grondslag van de tenlastelegging niet heeft verlaten.
De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, aangezien de uitspraak meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep is gedaan. Dit leidt tot strafvermindering. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en vermindert deze tot negen jaar en zes maanden. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot negen jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.