Conclusie
eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, keert zich tegen ’s Hofs afwijzing van het primaire verzoek van de raadsvrouw van verzoeker tot aanhouding van de behandeling van de zaak in hoger beroep vanwege – kort gezegd - een misvatting bij de raadsvrouw over de plaats waar de zitting zou dienen. Volgens het middel is onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, hoe het belang van een voortvarende rechtspleging in casu zwaarder heeft te wegen dan het recht van verzoeker op rechtsbijstand ter terechtzitting en dus op een procedure op tegenspraak. [1]
tweede middelklaagt dat art. 6, eerste lid en derde lid onder c, EVRM is geschonden, nu sprake was van een “manifest failure” aan de zijde van de advocaat van verzoeker en het Hof heeft nagelaten in te grijpen, bijvoorbeeld door de behandeling van de zaak in hoger beroep aan te houden dan wel een andere positieve maatregel te treffen waarmee recht werd gedaan aan het door art. 6, eerste lid en derde lid onder c, EVRM gegarandeerde recht op effectieve rechtsbijstand.
derde middelbevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat in hoger beroep sprake was van een procedure op tegenspraak dan wel dat het Hof op ontoelaatbare wijze in het midden heeft gelaten of in de zaak van verzoeker sprake is geweest van een procedure bij verstek dan wel van een procedure op tegenspraak, zodat om die reden de artikelen 279 en 280 Sv in verbinding met art. 415 Sv Pro zijn geschonden. [2]
NJ1999/294) —, had het hof moeten ingaan op het, aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde recht van de verdachte op rechtsbijstand door een raadsman van zijn keuze, aldus het arrest (r.o. 2.6).
NJ2015/6).”