ECLI:NL:PHR:2015:1003

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juni 2015
Publicatiedatum
7 juli 2015
Zaaknummer
14/02138
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 80a ROArt. 279 SvArt. 280 SvArt. 415 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest hof wegens onvoldoende belangenafweging bij afwijzing aanhoudingsverzoek in hoger beroep

Verzoeker werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken wegens diefstal. In hoger beroep was verzoeker niet aanwezig omdat zijn raadsvrouw zich vergiste in de zittingsplaats en daarom een verzoek tot aanhouding van de behandeling indiende, met pleitaantekeningen als substituut.

Het hof wees dit verzoek af met als motief het belang van een voortvarende rechtspleging, zonder het belang van verzoeker op effectieve rechtsbijstand door zijn raadsman van keuze mee te wegen. De advocaat-generaal stelde dat het hof deze belangenafweging niet juist had gemaakt.

De Hoge Raad bevestigt dat het recht op effectieve rechtsbijstand en het aanwezigheidsrecht van de verdachte zwaar wegen, tenzij bijzondere omstandigheden het belang van voortvarende berechting zwaarder maken. Gelet op de korte termijn tussen vonnis en hoger beroep en het ontbreken van eerdere aanhoudingsverzoeken, had het hof het verzoek moeten honoreren.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe behandeling. De conclusie bevat tevens een uitgebreide bespreking van het recht op effectieve rechtsbijstand en het aanwezigheidsrecht in het kader van art. 6 EVRM Pro.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor nieuwe behandeling wegens onvoldoende motivering bij afwijzing aanhoudingsverzoek.

Conclusie

Nr. 14/02138
Zitting: 9 juni 2015
Mr. Hofstee
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is bij arrest van 15 april 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
2. Namens verzoeker hebben mrs. G.A. Jansen en Th.O.M. Dieben, advocaten te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, keert zich tegen ’s Hofs afwijzing van het primaire verzoek van de raadsvrouw van verzoeker tot aanhouding van de behandeling van de zaak in hoger beroep vanwege – kort gezegd - een misvatting bij de raadsvrouw over de plaats waar de zitting zou dienen. Volgens het middel is onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, hoe het belang van een voortvarende rechtspleging in casu zwaarder heeft te wegen dan het recht van verzoeker op rechtsbijstand ter terechtzitting en dus op een procedure op tegenspraak. [1]
4. Het
tweede middelklaagt dat art. 6, eerste lid en derde lid onder c, EVRM is geschonden, nu sprake was van een “manifest failure” aan de zijde van de advocaat van verzoeker en het Hof heeft nagelaten in te grijpen, bijvoorbeeld door de behandeling van de zaak in hoger beroep aan te houden dan wel een andere positieve maatregel te treffen waarmee recht werd gedaan aan het door art. 6, eerste lid en derde lid onder c, EVRM gegarandeerde recht op effectieve rechtsbijstand.
5. Het
derde middelbevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat in hoger beroep sprake was van een procedure op tegenspraak dan wel dat het Hof op ontoelaatbare wijze in het midden heeft gelaten of in de zaak van verzoeker sprake is geweest van een procedure bij verstek dan wel van een procedure op tegenspraak, zodat om die reden de artikelen 279 en 280 Sv in verbinding met art. 415 Sv Pro zijn geschonden. [2]
6. Uit de stukken van het geding, voor zover in cassatie voorhanden, blijkt het volgende verloop van de procedure:
- bij vonnis van 3 december 2013 is verzoeker door de Rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen;
- blijkens het arrest van het Hof van 15 april 2014 (blad 1) is namens verzoeker hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank;
- blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 1 april 2014 is verzoeker noch zijn raadsvrouw ter terechtzitting verschenen en heeft zich aldaar het volgende voorgedaan:
“De griffier belt met het kantoor van de raadsvrouw en verneemt dat de raadsvrouw zich vergist heeft in de zittingsplaats. Zij was in de veronderstelling dat de zaak voor het hof in Amsterdam zou dienen. Zij zal derhalve niet tijdig voor de behandeling van de zaak in Arnhem aanwezig kunnen zijn en heeft een faxbericht gestuurd met als bijlage haar pleitaantekeningen.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek om het faxbericht van de raadsvrouw af te wachten.
Het onderzoek wordt hervat.
De voorzitter houdt voor het binnengekomen faxbericht van de raadsvrouw van verdachte, primair inhoudende het verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak nu haar cliënt een behandeling op tegenspraak verdient. Subsidiair verzoekt zij de meegezonden pleitaantekeningen als voorgedragen te beschouwen en in het dossier te voegen.
De advocaat-generaal voert het woord -zakelijk weergegeven- als volgt:
De verdachte is juist gedagvaard en de raadsvrouw juist opgeroepen. Ik verzoek u het aanhoudingsverzoek af te wijzen en de pleitaantekeningen als voorgedragen te beschouwen.
De voorzitter deelt als beslissing van het hof mede dat het hof het verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak afwijst in het belang van een voortvarende rechtspleging en gelet op het feit dat het hof heeft kennis genomen van de pleitnotities van de verdediging.
Het hof zal de pleitnotities van de raadsvrouw in het dossier voegen.”
- gezien datzelfde proces-verbaal heeft daarna het onderzoek ter terechtzitting en de sluiting daarvan plaatsgevonden; als gezegd heeft het Hof op 15 april 2014 uitspraak gedaan.
7. Ik stel voorop op dat bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak de rechter een afweging dient te maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. [3]
8. In zijn annotatie onder het arrest van de Hoge Raad van 11 november 2014 schrijft T.M. Schalken:
“Als uitgangspunt bij de rechterlijke belangenafweging geldt dat respect voor het verdragsrechtelijke aanwezigheidsrecht het zwaarste moet wegen. Dat kan worden afgeleid uit bijv. HR 7 december 2010, sub 2.4, RvdW 2010/1496, ECLI:NL:HR:2010:BO0083 en HR 28 januari 2014, NJB 2014/374, ECLI:NL:HR:2014:193. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen ertoe leiden dat het belang van een behoorlijke strafvordering (berechting binnen een redelijke termijn) voorrang wordt gegeven boven het aanwezigheidsrecht van de verdachte. (…)”
Daaraan heeft Schalken in zijn noot onder HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3421, NJ 2015/39 toegevoegd:
“Verzoeken om aanhouding zijn, zeker tijdens een ‘voortbouwend’ appèl, niet erg populair, ook niet als de reden van verhindering bij de verdediging ligt. In deze zaak […] werd door de raadsvrouwe vanwege een bijzondere reden om aanhouding gevraagd: op de geplande zittingsdag (11 november 2013) zou de raadsvrouwe deelnemen aan een landelijke staking van strafrechtadvocaten die te Den Haag in toga te hoop liepen tegen de aangekondigde bezuinigingen op het terrein van de gefinancierde rechtsbijstand.
In alle gevallen werden de verzoeken door het hof afgewezen. De Hoge Raad casseerde, omdat het hof niet de juiste belangen had afgewogen. Het had alleen een afweging gemaakt tussen het belang van de raadsman om te staken en het belang van een voortvarende afdoening van de strafzaak. Maar in het licht van de factoren die bij de belangenafweging vanouds een rol behoren te spelen — waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, voortvarende afdoening van de zaak, goede organisatie van de rechtspleging (vgl. HR 26 januari 1999, NJ 1999/294
NJ1999/294) —, had het hof moeten ingaan op het, aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde recht van de verdachte op rechtsbijstand door een raadsman van zijn keuze, aldus het arrest (r.o. 2.6).
Om dat laatste belang in de afweging te betrekken lijkt mij juist, maar strikt genomen noemt de Hoge Raad in zijn rechtspraak dat belang niet in het rijtje van relevante belangen, tenzij men van mening is dat rechtsbijstand een voorwaarde is voor een verdachte om zijn aanwezigheidsrecht effectief te kunnen uitoefenen. Beide rechten zijn zeker met elkaar verbonden en in die zin behoren zij bij de te maken belangenafweging het vertrekpunt te vormen; zij zijn prevalent, tenzij andere omstandigheden zwaarder wegen (in die zin ook de noot onder HR 11 november 2014, NJ 2015/6
NJ2015/6).”
9. Het recht van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting aanwezig te zijn, geldt, zo blijkt ook uit de aangehaalde uitspraken van de Hoge Raad, niet absoluut. Bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat het belang van een behoorlijke strafvordering – mede omvattend de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn – zwaarder moet wegen dan het aanwezigheidsrecht van de verdachte. Het spreekt voor zich dat de feitenrechter, voor deze afweging van belangen geplaatst, motiveert dat en waarom hij gelet op de omstandigheden van het concrete geval aan het ene of juist aan het andere belang meer gewicht hecht. Daarbij spelen verschillende factoren, juist in hun onderlinge verhouding, een rol. In mijn conclusie [4] voorafgaand aan het arrest van HR 8 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:887 noemde ik de volgende: eerdere aanhoudingen op verzoek van de verdediging; of er voor de geplande terechtzitting getuigen, deskundigen en/of slachtoffers te verwachten zijn; de lengte van de periode die is gelegen tussen het tijdstip waarop het tenlastegelegde feit is begaan en het aanhoudingsverzoek; ziekte en de aard daarvan.
10. De raadsvrouw van verzoeker heeft in hoger beroep aan haar verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegd dat verzoeker haar “heeft gemachtigd hem ter zitting in deze zaak bij te staan (hij zal zelf niet komen) en hij geen afstand doet van zijn recht op een behandeling op tegenspraak in hoger beroep”.
11. Het eerste middel stelt het spanningsveld aan de orde tussen enerzijds het recht op effectieve rechtsbijstand van de verdachte als bedoeld in art. 6, derde lid aanhef en onder c, EVRM (en in mindere mate het aanwezigheidsrecht) en anderzijds het belang van een behoorlijke strafvordering bij een voortvarende behandeling van de strafzaak. Bij een verzoek als door de raadsvrouw gedaan, dient een met de hierboven onder 7 weergegeven vergelijkbare belangenafweging plaats te vinden [5] , met dien verstande dat daarbij het recht op (effectieve) rechtsbijstand het middelpunt vormt en niet het aanwezigheidsrecht. [6]
12. Een ieder die vervolgd wordt voor een strafbaar feit heeft ingevolge art. 6, derde lid aanhef en onder c, EVRM het recht zichzelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze. Het recht op vrije keuze van een raadsman is echter evenmin absoluut, nu ook dit recht, evenals het aanwezigheidsrecht, moet concurreren met het belang van een behoorlijke rechtspleging die gebaat is bij een zekere voortvarendheid. [7]
13. In de onderhavige zaak is, voor zover ik aan de hand van de stukken van het geding heb kunnen nagaan, door of namens verzoeker in de appelprocedure bij het Hof niet al eerder een aanhoudingsverzoek gedaan. Voorts blijkt dat het vonnis van de politierechter op 3 december 2013 is gewezen. Afgezet tegen de dag waarop de voorliggende uitspraak door het Hof is gedaan, te weten 15 april 2014, dus slechts een viertal maanden nadien, kan naar mijn inzicht niet worden gezegd dat de voortvarendheid van afdoening van de zaak door een schorsing van het onderzoek op de terechtzitting in het gedrang zou zijn gekomen, terwijl ik ook geen andere bijzondere omstandigheid zie die ertoe leidt dat het belang van een behoorlijke strafvordering onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het, weliswaar niet absolute maar niettemin wezenlijke, recht van verzoeker op rechtsbijstand door een raadsman van zijn keuze. Dit één en ander zou, denk ik, binnen het bestaande juridisch beoordelingskader voldoende ruimte moeten bieden om het aanhoudingsverzoek te honoreren.
14. Uit ’s Hofs motivering van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting blijkt niet dat het Hof de hier van toepassing zijnde afweging van belangen heeft gemaakt. Met name blijkt daaruit niet dat het Hof daarin het belang van verzoeker op effectieve rechtsbijstand door een raadsman van zijn keuze heeft betrokken. Gelet op het voorgaande, brengt dit mee dat ’s Hofs afwijzing van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting niet zonder meer begrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is.
15. Het eerste middel is terecht voorgesteld.
16. Dat betekent naar mijn mening dat het tweede middel en het derde middel thans geen bespreking behoeven. Indien de Hoge Raad dit anders ziet, ben ik uiteraard graag bereid aanvullend te concluderen.
17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 april 2014 en het arrest van het Hof is er geen verstek gevraagd, noch verleend. Dat zou zich ook niet hebben verdragen met de mededeling van de voorzitter ter ’s Hofs terechtzitting “dat het Hof heeft kennis genomen van de pleitnotities van de verdediging” en dat het Hof “de pleitnotities van de raadsvrouw in het dossier [zal] voegen”. Daaruit dient gelet op art. 279 Sv Pro te worden afgeleid dat het Hof de mededeling van de raadsvrouw in haar faxbericht, inhoudende (dat zij zich in de locatie heeft vergist en) dat verzoeker haar heeft gemachtigd hem ter terechtzitting in deze zaak bij te staan, heeft gevolgd. Dit alles betekent dat het Hof de behandeling van de zaak in hoger beroep tegen verzoeker klaarblijkelijk heeft verstaan als een procedure op tegenspraak. De vraag of niet die mededeling van de raadsvrouw ter terechtzitting had moeten worden gedaan, laat ik (mede gelet op mijn beoordeling van het eerste middel) rusten.
2.Zie mijn voetnoot 1.
3.HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3153, NJ 2015/6 m.nt. T.M. Schalken en HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999/294.
5.Het recht op effectieve rechtsbijstand en het aanwezigheidsrecht van de verdachte zijn met elkaar verweven, en maken beide deel uit van het overkoepelende recht op een fair trial als bedoeld in art. 6 EVRM Pro.
6.Zie, naast de hiervoor onder 8 weergegeven (tweede) annotatie van T.M. Schalken, HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3421, NJ 2015/39 (rov. 2.5 en 2.6), HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4453, NJ 2011/142 m.nt. Schalken en HR 11 oktober 2005:ECLI:NL:HR:2055:AT5663, NJ 2007/454.
7.Vgl. HR 21 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9125 (art. 81 RO Pro aangaande middel 2), HR 11 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5101(rov. 4) en HR 2 maart 1999, NJ 1999/330 (rov. 3). Zie voorts mijn bijdrage in de Sjöcrona-bundel “Sporen in het strafrecht”, 2014, p. 95 e.v.