Eiser tot cassatie (hierna: de Staat) heeft bij exploot van 12 februari 2001 verweerster in cassatie (hierna: Princeville) gedagvaard voor de rechtbank te Breda en ten behoeve van de aanleg van de:
I. Hogesnelheidslijn-Zuid, vanaf de grens tussen de gemeenten Moerdijk/Drimmelen en Breda (km. 37.035) tot aan de Oude Berkloop (km. 49.400) met inbegrip van de verbindingsbogen in en uit de richting Breda tot aan km. 22.320, de verlegging van de spoorlijn Breda-Dordrecht tussen HSL km. 37.040 en km. 37.990 en de verlegging van de spoorlijn Roosendaal-Breda tussen km. 19.750 en km. 22.320, met bijkomende werken, in de gemeente Breda;
alsmede
II. de verbreding en verlegging van de weg Rotterdam-Dordrecht-Breda-Belgische grens (Rijksweg 16), vanaf de grens tussen de gemeenten Moerdijk/Drimmelen en Breda (km. 54.630) tot aan de Oude Berkloop (km. 67.055), met inbegrip van de realisering van knooppunt Princeville tussen km. 60.400 en km. 61.900, met bijkomende werken, in de gemeente Breda;
alsmede
III. de ombouw van de weg Eindhoven-Breda-Vlissingen-Breskens-Belgische grens (Rijksweg 58) tot autosnelweg tussen het knooppunt Princeville en de grens met de gemeente Etten-Leur (km. 3.120), met bijkomende werken in de gemeente Breda,
gevorderd ten name van de Staat ten algemene nutte vervroegd uit te spreken de onteigening van de in de dagvaarding omschreven gedeelten ter grootte van 0 00 11 hectare (grondplannummer [001]), 0 00 23 hectare (grondplannummer [002]) met kadastrale aanduiding gemeente Princenhage, sectie [A] [003], en 0 02 65 hectare (grondplannummer [004]) met kadastrale aanduiding gemeente Princenhage, sectie [A] [005], en 0 07 60 (grondplannummer [006]) met kadastrale aanduiding gemeente Princenhage, sectie [A] [007], waarvan Princeville als eigenares is aangewezen en het bedrag van de schadeloosstelling te bepalen.
Bij vonnis van 18 juni 2002, verbeterd bij beslissing van 5 november 2002, dat op 14 november 2002 is ingeschreven in de openbare registers, heeft de rechtbank onder meer de gevorderde onteigening vervroegd uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling voor Princeville vastgesteld op € 87.352,69, en drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd.
Na deskundigenbericht heeft de rechtbank bij vonnis van 1 december 2004, later bij beslissing van 9 februari 2005 ter zake van de kosten van technische en rechtskundige bijstand verbeterd, het bedrag van de te dezer zake door de Staat aan Princeville verschuldigde schadeloosstelling vastgesteld op een bedrag van € 148.386,13, de Staat veroordeeld om aan Princeville tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag waarmee de schadeloosstelling het voorschot te boven gaat en mitsdien tot betaling van een bedrag van € 61.033,44, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 november 2002 tot 1 december 2004, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 1 december 2004 tot aan de dag der algehele voldoening, en (zoals verbeterd bij beslissing van 9 februari 2005) de Staat veroordeeld in de kosten van het geding, deze voor zover aan de zijde van Princeville gevallen tot op deze uitspraak begroot op € 13.088,84 (exclusief BTW), zijnde de kosten van technische en rechtskundige bijstand.
Het vonnis van 9 februari 2005 is aan dit arrest gehecht.