ECLI:NL:HR:2006:AV1583

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00769/05
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.W. Ilsink
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 315 SvArt. 328 SvArt. 330 SvArt. 415 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 10 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid wegens ontbreken beslissing op getuigenverzoek in hoger beroep

In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 17 augustus 2004 vernietigd wegens een procedureel verzuim. De verdediging had in hoger beroep een verzoek gedaan om een slachtoffer als getuige op te roepen, omdat het letsel van belang was voor de strafmaat en het bewijs. Dit verzoek was voorwaardelijk gesteld en de aan het verzoek verbonden voorwaarde was vervuld.

Het hof heeft echter noch in het proces-verbaal van de terechtzitting noch in het arrest een uitdrukkelijke beslissing genomen op dit getuigenverzoek. Volgens de Hoge Raad is dit een schending van de procesregels zoals neergelegd in artikel 315 juncto Pro 328 van het Wetboek van Strafvordering, en leidt dit verzuim op grond van artikel 330 juncto Pro 415 Sv tot nietigheid van het arrest.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest uitsluitend voor zover het betrekking heeft op het tenlastegelegde zware lichamelijk letsel en de strafoplegging. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting en afdoening van het bestaande hoger beroep. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.

De uitspraak benadrukt het belang van een uitdrukkelijke beslissing op getuigenverzoeken in hoger beroep en de gevolgen van het nalaten daarvan voor de rechtsgeldigheid van het arrest.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het ontbreken van een beslissing op het getuigenverzoek en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

18 april 2006
Strafkamer
nr. 00769/05
EC/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 augustus 2004, nummer 23/000499-02, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 12 juli 2001 - de verdachte ter zake van 1 primair "zware mishandeling", 2 primair "poging tot zware mishandeling" en 3. "mishandeling" veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande beroep te worden berecht en afgedaan.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte niet heeft beslist op een verzoek van de verdediging tot het oproepen van een getuige.
3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 augustus 2004 houdt, voorzover hier van belang, het volgende in:
"De raadsman merkt naar aanleiding van de opmerking van de voorzitter dat [slachtoffer 1] voor het leven is getekend, op dat er de mogelijkheid van plastische chirurgie is. Voorts doet hij het voorwaardelijk verzoek [slachtoffer 1] op te roepen als getuige zodat ter terechtzitting bezien kan worden wat haar letsel -thans- is. De raadsman deelt mede dat het verzoek in die zin voorwaardelijk is dat het hof het voor de strafmaat van belang dient te achten en voor het bewijs redengevend."
3.3. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:
"hij op 17 oktober 1999 te Amsterdam aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een snijwond in de hals -met blijvende ontsiering-, heeft toegebracht, immers heeft hij met dat opzet met kracht met een glazen fles in de richting van die [slachtoffer 1] gegooid."
3.4. Uit het vorenstaande volgt dat een verzoek is gedaan als bedoeld in art. 315 in Pro verbinding met art. 328 Sv Pro en dat de aan het verzoek verbonden voorwaarde is vervuld, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, noch het bestreden arrest houdt een beslissing in op dat verzoek. Dat verzuim heeft ingevolge art. 330 in Pro verbinding met art. 415 Sv Pro nietigheid tot gevolg.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;
Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 18 april 2006.