ECLI:NL:HR:2006:AV6216
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bepaalt dat verzet tegen verstekvonnis moet worden berecht door kantonrechter
De verdachte werd op 21 juni 2002 bij verstek veroordeeld door de kantonrechter tot een geldboete van € 45 wegens overtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 1994. Op 11 januari 2005 stelde de verdachte hoger beroep in, maar het gerechtshof begreep dit als een cassatieberoep tegen het verstekvonnis.
De Hoge Raad stelt vast dat op grond van de wet in deze situatie verzet openstaat en dat cassatieberoep niet mogelijk is. De stukken worden daarom teruggezonden naar de griffier van de rechtbank te Rotterdam, zodat de kantonrechter de zaak op het bestaande verzet kan berechten en afdoen.
Daarnaast merkt de Hoge Raad op dat de vraag of het recht tot strafvordering door verjaring is vervallen pas aan de orde kan komen indien de verdachte op de terechtzitting verschijnt. De Hoge Raad vernietigt het bestreden vonnis niet inhoudelijk, maar regelt de procedure correct.
Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken op 9 mei 2006.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk en zendt de stukken terug voor berechting van het verzet door de kantonrechter.