ECLI:NL:HR:2006:AV9391
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- W.A.M. van Schendel
- F.B. Bakels
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid en rechtsbescherming bij onverwijlde inbezitneming op grond van de Deltawet grote rivieren
De zaak betreft een geschil tussen een perceeleigenaar en het Waterschap Rivierenland over de rechtmatigheid van de onverwijlde inbezitneming van percelen krachtens de Deltawet grote rivieren (Dgr) en de vaststelling van de schadevergoeding.
De perceeleigenaar vorderde schadeloosstelling en teruglevering van niet-noodzakelijke percelen, terwijl het Waterschap de vorderingen betwistte en stelde dat het hof onbevoegd was hoger beroep te behandelen vanwege wettelijke uitsluiting.
De rechtbank stelde na deskundigenonderzoek de schadevergoeding vast. Het hof verklaarde het hoger beroep van de perceeleigenaar niet-ontvankelijk op grond van art. 52 Ow Pro, dat hoger beroep uitsluit bij onteigeningen in buitengewone omstandigheden.
De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en oordeelde dat de Deltawet grote rivieren nauw aansluit bij de Onteigeningswet en dat geschillen over de rechtmatigheid van de last tot inbezitneming en schadevergoeding uitsluitend via cassatie kunnen worden aangevochten.
Daarnaast verwierp de Hoge Raad klachten over schending van het recht op een effectief rechtsmiddel en het recht op eigendom volgens het EVRM, omdat de wettelijke regeling voldoet aan de eisen van toegankelijkheid, precisie en voorzienbaarheid.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde de eiser in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de perceeleigenaar wordt verworpen en hoger beroep tegen vonnissen over onverwijlde inbezitneming op grond van de Deltawet grote rivieren is uitgesloten.