ECLI:NL:HR:2006:AW3942
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt recht op liquidatieverlies ondanks voortzetting activiteiten binnen fiscale eenheid
Belanghebbende, een vennootschap die aandelen hield in een houdstermaatschappij en haar dochtervennootschappen, maakte aanspraak op een liquidatieverlies over het jaar 1997. Na het faillissement van de groep en de daaropvolgende overname van activa en personeel door nieuwe vennootschappen, stelde de Inspecteur het verlies aanvankelijk laag vast en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk.
Het Gerechtshof verklaarde het beroep ongegrond met het argument dat voortzetting van activiteiten binnen een fiscale eenheid het recht op liquidatieverlies uitsloot. De Hoge Raad vernietigde dit arrest en oordeelde dat het bestaan van een fiscale eenheid niet bepalend is voor de toepassing van artikel 13d, lid 8, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
De Hoge Raad benadrukte dat voortzetting van activiteiten door andere vennootschappen niet automatisch betekent dat de onderneming van de houdstermaatschappij is voortgezet. Tevens erkende de Hoge Raad dat houdsteractiviteiten geen aanleiding geven tot het constateren van een voortgezette onderneming en dat belanghebbende recht heeft op het liquidatieverlies. De zaak werd afgedaan met vaststelling van het verlies op ƒ 878.016 en veroordeling van de Staat tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en stelt het liquidatieverlies van belanghebbende vast op ƒ 878.016.