ECLI:NL:HR:2006:AW6167

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juni 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C05/164HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:658 BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid werkgever voor RSI-klachten onder artikel 7:658 BW

De zaak betreft een geschil tussen een voormalig werknemer en zijn werkgever over de aansprakelijkheid van de werkgever op grond van artikel 7:658 BW Pro voor arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door RSI-klachten. De werknemer vorderde dat de werkgever aansprakelijk werd gesteld voor de schade als gevolg van het niet naleven van de zorgplicht bij beeldschermwerk.

De kantonrechter stelde de werkgever aansprakelijk en veroordeelde tot schadevergoeding en betaling van rente en kosten. De werkgever stelde hoger beroep in, waarbij het gerechtshof de eerdere vonnissen vernietigde en de vorderingen van de werknemer afwees. De werknemer stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep zonder nadere motivering, waarbij werd vastgesteld dat de klachten niet tot cassatie konden leiden en geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. De werknemer werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de werkgever niet aansprakelijk is voor de RSI-klachten van de werknemer.

Uitspraak

2 juni 2006
Eerste Kamer
Nr. C05/164HR
RM/JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaten: mrs. S.F. Sagel en B.A. Cnossen,
t e g e n
KÖPCKE GLOBAL TRADING B.V.,
voorheen en in de feitelijke instanties aangeduid als Köpcke Trading International B.V., gevestigd te Spijkenisse,
gevestigd te Dordrecht,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. G. Snijders.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 15 juni 1999 verweerster in cassatie - verder te noemen: Köpcke - gedagvaard voor de kantonrechter te Brielle en gevorderd:
1. voor recht te verklaren dat Köpcke ex artikel 7:658 BW Pro aansprakelijk is voor de schade die [eiser] lijdt en nog zal lijden als gevolg van het niet naleven van de zorgverplichting ten aanzien van zijn beeldschermwerk bij Köpcke;
2. Köpcke te veroordelen tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij schadestaat, zoals deze wordt geleden door [eiser];
3. Köpcke te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de te betalen schadevergoeding over elke dag dat Köpcke in verzuim is geweest de schadevergoeding te betalen;
4. Köpcke te veroordelen in de kosten van dit geding, daaronder begrepen het salaris van de gemachtigde van [eiser];
5. Köpcke te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten die worden begroot op ƒ 5.000,--.
Köpcke heeft de vordering bestreden.
[Eiser] heeft bij gelegenheid van repliek zijn eis vermeerderd, en de kantonrechter verzocht om bij toewijzing van de vordering (uitvoerbaar bij voorraad) een voorschot toe te kennen van ƒ 100.000,-- dan wel enig ander bedrag dat als redelijk en billijk wordt beoordeeld.
Na een ingevolge een tussenvonnis van 12 september 2000 gehouden comparitie van partijen heeft de kantonrechter bij tussenvonnis van 30 januari 2001 prof. H.J. Stam als deskundige benoemd, en de deskundige verzocht een beredeneerd rapport uit te brengen omtrent de vraag of de arbeidsongeschiktheid van [eiser] (hoe deze ook zou moeten worden gekwalificeerd) het gevolg is van de uitoefening van zijn werkzaamheden bij Köpcke. Na ontvangst van het deskundigenbericht heeft de rechtbank te Rotterdam, sector kanton, locatie Brielle, bij tussenvonnis van 12 maart 2002 andermaal een comparitie van partijen gelast. Bij tussenvonnis van 27 augustus 2002 heeft de kantonrechter als deskundige benoemd drs. K. Thé en de deskundige verzocht een beredeneerd rapport uit te brengen omtrent de in dat vonnis geformuleerde vragen 1 tot en met 4. Bij eindvonnis van 11 maart 2003 heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat Köpcke aansprakelijk is voor de ten processe bedoelde schade die [eiser] lijdt en nog zal lijden en Köpcke veroordeeld tot vergoeding van die schade, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat Köpcke met betaling in verzuim is (geweest). De kantonrechter heeft voorts Köpcke veroordeeld tot betaling van een voorschot onder algemene titel van € 30.000,-- alsmede een bedrag van € 964,28 aan buitengerechtelijke incassokosten en het eindvonnis voor zover het deze betalingen betreft uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Tegen voornoemde vonnissen heeft Köpcke hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 21 januari 2005 heeft het hof Köpcke niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de vonnissen van 12 september 2000 en 30 januari 2001, de vonnissen van van 12 maart 2002, 27 augustus 2002 en 11 maart 2003 van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Brielle, vernietigd, en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eiser] afgewezen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Köpcke heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Köpcke begroot op € 971,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 2 juni 2006.