ECLI:NL:HR:2006:AX6420
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J.P. Balkema
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor bezit radarontvangstapparaat in motorrijtuig ondanks defect
Op 30 januari 2004 reed de verdachte in Soest met een personenauto waarin een radarontvangstapparaat aanwezig was, dat geschikt was om de aanwezigheid van snelheidsmeetapparatuur aan te tonen. De verdachte erkende dat het apparaat tot het moment van afkoppelen functioneerde, maar stelde dat het mogelijk defect was tijdens de constatering.
Het hof veroordeelde de verdachte op grond van artikel 5.1.6 van het Voertuigreglement, waarin het bezit van dergelijke apparaten verboden is. Het hof oordeelde dat het niet vereist is dat het apparaat daadwerkelijk functioneerde op het moment van de overtreding; de technische bestemming is beslissend.
De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en verwierp het cassatieberoep van de verdachte. Het middel dat strafbaarheid afhankelijk zou zijn van het bewustzijn van de verdachte over het functioneren van het apparaat werd niet gevolgd. De veroordeling tot een geldboete bleef in stand.
Deze uitspraak benadrukt het belang van het verbod op radarontvangstapparaten ter bevordering van verkeersveiligheid en de effectiviteit van snelheidscontroles.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de verdachte voor het bezit van een radarontvangstapparaat en handhaaft de opgelegde geldboete.