ECLI:NL:PHR:2010:BK3503

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/00608
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WWMArt. 26 lid 1 WWMArt. 3 onder C OpiumwetArt. 49 WWM
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling stroomstootwapen als handwapen ondanks defect

In deze zaak stond centraal of een stroomstootwapen dat defect is, toch kan worden aangemerkt als een wapen van categorie II onder 5 van de Wet wapens en munitie (WWM), namelijk een handwapen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht. Het Hof had bewezen verklaard dat verdachte op 20 april 2006 te Zeist een dergelijk wapen in bezit had.

Verdachte voerde verweer dat het stroomstootwapen defect was en daardoor niet functioneerde als een wapen waarmee personen weerloos konden worden gemaakt. Dit verweer werd door het Hof verworpen met de motivering dat de omschrijving in de tenlastelegging een algemene typeaanduiding is en niet vereist dat het wapen correct functioneert.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat een defect aan het wapen niet afdoet aan de kwalificatie als handwapen in de zin van de WWM. De aard van het voorwerp is bepalend, niet de werking op het moment van inbeslagname. Het middel van verdachte faalde, en het beroep werd verworpen.

Daarnaast werden andere middelen van cassatie niet-ontvankelijk verklaard omdat zij onvoldoende onderbouwd waren of niet gericht waren tegen de bestreden uitspraak. De straf van drie maanden gevangenisstraf bleef daarmee in stand.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling voor bezit stroomstootwapen ondanks defect, straf van drie maanden gevangenisstraf blijft in stand.

Conclusie

Nr. 08/00608
Mr. Vellinga
Zitting: 10 november 2009
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, wegens 1. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een wapen van categorie II onder 5", 2. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie" en 3. "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
2. Namens verdachte heeft mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Hetgeen in de schriftuur als eerste middel wordt gepresenteerd, kan niet als zodanig worden aangemerkt. Buiten een weergave van het verweer dat de raadsman van de verdachte ter zitting in hoger beroep zou hebben gevoerd en van de overweging van het Hof naar aanleiding van dat verweer, wordt de stelling dat "het Gerechtshof het namens requirant gevoerde verweer onvoldoende gemotiveerd heeft weerlegd" immers op geen enkele wijze onderbouwd.
4. De stellingen in de schriftuur dat de in deze zaak aanwezige CIE-informatie onvoldoende specifiek is om een redelijk vermoeden in de zin van artikel 49 WWM Pro op te kunnen leveren en dat zulks niet een machtiging tot binnentreden in verdachtes woning rechtvaardigt, kunnen evenmin als zelfstandig(e) middel(en) van cassatie worden aangemerkt, al was het maar omdat het hier geen klachten betreft over een beslissing van de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.
5. Het tweede middel klaagt over de verwerping van het verweer dat geen sprake is van een wapen waarmee, zoals tenlastgelegd en bewezenverklaard, "personen weerloos kunnen worden gemaakt", nu verdachtes stroomstootwapen defect was.
6. Voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, heeft het Hof ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"hij op 20 april 2006 te Zeist een wapen van categorie II onder 5, te weten een handwapen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad".
7. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsman heeft met betrekking tot feit 1 aangevoerd dat het stroomstootwapen defect was en dat daarmee niet door een elektrische stroomstoot personen weerloos kon worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht, zodat verdachte behoort te worden vrijsproken van dit feit.
Het hof is van oordeel dat het feit dat het stroomstootwapen defect was niet af doet aan de bewezenverklaring, omdat de in de tenlastelegging gebruikte bewoordingen "waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht" een algemene omschrijving van het type wapen geven. Er wil niet / niet mede mee gezegd zijn dat het aldus omschreven wapen ook correct functioneert. Het verweer wordt verworpen."
8. Hetgeen in de toelichting op het middel ter adstructie wordt aangevoerd, komt neer op een herhaling van het verweer dat de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger heeft gevoerd: nu het stroomstootwapen van de verdachte niet functioneert, is geen sprake van een wapen waarmee personen weerloos kunnen worden gemaakt.
9. Het Hof heeft dat verweer verworpen en daarbij kennelijk, zoals hiervoor is weergegeven, geoordeeld dat de in de bewezenverklaarde tenlastelegging voorkomende woorden "handwapen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt" geacht moeten worden aldaar in dezelfde betekenis te zijn gebezigd als daaraan toekomt in artikel 2, eerste lid, categorie II onder 5, WWM, en dat aldus de aard van het wapen beslissend moet worden geacht. 's Hofs oordeel dat een eventueel defect aan het onderhavige stoomstootwapen er niet aan afdoet dat het hier gaat om een voorwerp dat naar zijn aard is een "handwapen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt", is niet onbegrijpelijk.(1)
10. Het middel faalt.
11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vergelijk in dat verband HR 17 februari 2009, LJN BG7763 en HR 15 april 1997, NJ 1997, 653, als ook HR 28 augustus 2006, NJ 2006, 486 ten aanzien van (al dan niet defecte) radarontvangstapparaten.