ECLI:NL:HR:2006:AY0112

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02474/05
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
  • A.J.A. van Dorst
  • J.W. Ilsink
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SvArt. 288 Sv
Verwijzingen
9 uitgaand · 8 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid onderzoek door ontbreken gemotiveerde beslissing over hernieuwde oproeping getuige in hoger beroep

In deze strafzaak stond de vraag centraal of het hof terecht had afgezien van de hernieuwde oproeping van een getuige die niet was verschenen tijdens de terechtzitting in hoger beroep. De verdachte was veroordeeld wegens het niet in stand houden van een verplichte motorrijtuigenverzekering.

Het hof had zonder uitdrukkelijke instemming van de verdediging en de Advocaat-Generaal afgezien van het hernieuwd oproepen van de getuige, terwijl het proces-verbaal geen aanwijzing gaf dat deze instemming was gegeven. Volgens de Hoge Raad had het hof op grond van artikel 287, derde lid, Wetboek van Strafvordering de getuige opnieuw moeten oproepen, tenzij het bij een met redenen omklede beslissing op grond van artikel 288, eerste lid, Sv kon afzien.

Omdat een dergelijke gemotiveerde beslissing ontbrak, leidt dit tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de daarop gebaseerde einduitspraak. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe berechting.

De uitspraak benadrukt het belang van het naleven van procesrechtelijke voorschriften omtrent getuigenoproepen en de noodzaak van een gemotiveerde beslissing bij het afzien daarvan, ter bescherming van het recht op een eerlijk proces.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het ontbreken van een gemotiveerde beslissing over het afzien van hernieuwde oproeping van een niet verschenen getuige, en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

17 oktober 2006
Strafkamer
nr. 02474/05
EC/MR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 juli 2005, nummer 20/006251-04, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te Maastricht, locatie Sittard, van 19 oktober 2004 - de verdachte ter zake van "als degene aan wie het kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen hebben gesloten en in stand gehouden" veroordeeld tot twee weken hechtenis met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.W. Heemskerk, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof zonder uitdrukkelijke toestemming van de verdediging heeft afgezien van het horen van een niet verschenen getuige.
3.2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 april 2005 houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:
"De verdachte, verklaart op vragen van de voorzitter - zakelijk weergegeven - als volgt:
Op 25 september 2002 zat ik vast in P.I. De Leuvense Poort in 's-Hertogenbosch. Ik ben mijn rijbewijs kwijtgeraakt op 29 juni 2002. Ik heb nooit een Ford in mijn bezit gehad, ik reed altijd in Opels. Ik ga niet zeggen dat ik iets verkeerd heb gedaan terwijl ik onschuldig ben. Nu u het mij uitlegt begrijp ik wat een katvanger is. Mijn rijbewijs ligt in Maastricht. Ik weet niet of mijn vriendin mijn rijbewijs heeft uitgeleend aan iemand anders. Ikzelf heb dat in ieder geval niet gedaan. Ik wil graag dat [betrokkene 1], degene die aangehouden is op 25 september 2002, gehoord gaat worden. Mij worden allerlei dingen verweten terwijl ik geen idee heb waar het allemaal over gaat.
Het Hof beveelt dat het openbaar ministerie een nader onderzoek zal instellen naar alle kenteken(s) die op de naam van verdachte staan. Het hof beveelt dat het openbaar ministerie de relevante stukken met betrekking tot de tenaamstelling - o.a. de gebezigde stukken waaruit de identiteit van de aanvrager blijkt - overlegt aan het hof.
De voorzitter schorst - gehoord de advocaat-generaal - vervolgens om die reden het onderzoek ter terechtzitting voor bepaalde tijd en wel tot de terechtzitting van vrijdag 15 juli 2005 te 09.30 uur, met bevel tot oproeping van de getuige [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [a-straat 1], tegen die datum en dat tijdstip."
3.2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 juli 2005 houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:
"De verdachte (...) is niet verschenen.
Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. J.W. Heemskerk, advocaat te Maastricht, die verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren. De voorzitter stemt daarmee in.
De voorzitter hervat het onderzoek van de zaak in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van 13 april 2005.
(...)
De raadsman verklaart -zakelijk weergegeven-:
Mijn cliënt is onschuldig. Hij houdt vol dat hij nooit een Ford op zijn naam heeft gehad. Wel heeft hij Opels op zijn naam gehad. Mijn cliënt is hier vrij stellig in. Mijn cliënt is zijn rijbewijs kwijtgeraakt. Hij heeft het kenteken niet op zijn naam laten zetten. Dat heeft iemand anders gedaan die op mijn cliënt lijkt. Een legitimatiebewijs wordt op het postkantoor niet goed gecontroleerd.
Ik wil graag een onderzoek waarin wordt onderzocht of mijn cliënt een katvanger is.
Ik vind dat er geen overtuigend bewijs is. De gevangenisstraf is te hoog, mijn cliënt heeft liever een taakstraf. De ontzegging van de rijbevoegdheid is te lang mede gezien het feit dat verdachte nog een ontzegging heeft openstaan.
De advocaat-generaal rekwireert en voert daarbij het volgende aan:
Het kenteken stond op naam van de verdachte.
Verdachte moet aanwezig zijn geweest bij het overschrijven van het kenteken van de auto. De datum van overschrijving van de auto valt niet samen met de periode dat verdachte in detentie heeft gezeten. De ene keer zegt verdachte dat hij zijn rijbewijs kwijt is, de andere keer zegt hij dat het bij zijn vriendin ligt. Met het kenteken van de auto op naam van verdachte is het zijn verantwoordelijkheid om een verzekering in stand te houden.
Aan de raadsman wordt het recht gelaten het laatst te spreken.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede onmiddellijk uitspraak te zullen doen.
De voorzitter spreekt vervolgens het arrest uit."
3.3. Bij de stukken van het geding bevindt zich een oproeping van de getuige [betrokkene 1] om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 15 juli 2005. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt niet in dat de getuige daar is verschenen zodat het in cassatie ervoor moet worden gehouden dat hij daar niet is verschenen.
3.4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 juli 2005 houdt niet in dat de Advocaat-Generaal bij het Hof en de verdediging op de voet van art. 288, derde lid, Sv uitdrukkelijk hebben ingestemd met het afzien van de hernieuwde oproeping van de daar niet verschenen getuige [betrokkene 1]. Het moet er daarom voor worden gehouden dat die instemming niet is gegeven. Bij die stand van zaken had het Hof op grond van het ook in hoger beroep toepasselijke voorschrift van art. 287, derde lid, Sv de hernieuwde oproeping van die getuige moeten bevelen. Het Hof had daarvan echter op de voet van art. 288, eerste lid, Sv bij een met redenen omklede beslissing kunnen afzien op de grond hetzij dat het onaannemelijk was dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zou verschijnen, hetzij dat het gegronde vermoeden bestond dat de gezondheidstoestand van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting ernstig in gevaar zou worden gebracht, hetzij dat door het achterwege blijven van de oproeping redelijkerwijs noch het Openbaar Ministerie in de vervolging noch de verdachte in zijn verdediging werd geschaad. Een dergelijke beslissing ontbreekt evenwel. Dit verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 juli 2005 en de naar aanleiding daarvan gewezen einduitspraak (vgl. HR 30 oktober 2001, LJN AB2943).
3.5. Het middel is dus terecht voorgesteld.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 17 oktober 2006.
Mr. Thomassen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.