ECLI:NL:HR:2006:AY6002
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- C.A. Streefkerk
- Rechtspraak.nl
Afschaffing overgangsregime oude lijfrentepolissen en rechtmatigheid volgens EVRM
Belanghebbende sloot in 1990 een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule af waarvan de premies tot en met 2000 aftrekbaar waren op grond van een overgangsregeling in de Wet IB 1964. Met de invoering van de Wet IB 2001 per 1 januari 2001 werd dit overgangsregime afgeschaft, waardoor premies na die datum niet meer aftrekbaar waren. Belanghebbende verzocht om voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting over 2001, maar dit verzoek werd door de Inspecteur afgewezen en gehandhaafd na bezwaar. Het Hof verklaarde het beroep ongegrond.
Belanghebbende stelde in cassatie dat de afschaffing in strijd was met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, omdat hij op grond van eerdere uitlatingen van de Staatssecretaris gerechtvaardigde verwachtingen had dat het oude fiscale regime ongewijzigd zou blijven gedurende de looptijd van de polis. De Hoge Raad oordeelde dat zelfs als deze uitlatingen zo werden opgevat, de afschaffing van de premieaftrek geen individuele en buitensporige last oplevert, mede omdat de uitkeringen later niet in box 1 worden belast en er compensatiemogelijkheden zijn.
De Hoge Raad concludeerde dat het beroep niet tot cassatie kan leiden en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afschaffing van het overgangsregime zonder strijd met het EVRM.