Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
3.Het geding in cassatie
5.Terugwerkende kracht
6.Artikel 1 EVRM Pro Eerste Protocol
ofer een aantasting van het eigendomsrecht is. De kwalificatie van de aantasting heeft getuige de ontwikkeling in de jurisprudentie aan belang ingeboet. [49]
retroactivityand, secondly, on the impact of the
retroactive lawon the position of the applicants’ (cursivering MP). [86] Hoewel de terugwerkende kracht eerder niet aan het vereiste van ‘lawfulness’ is getoetst, komt deze toets hier in feite terug omdat specifiek de terugwerkende kracht wordt getoetst. Er is echter een verschil; waar bij een zuivere toetsing aan het ‘lawfulness’-vereiste op zich geen plaats is voor het meewegen van tegenbelangen, is dat bij de proportionaliteitstoets wel het geval. Door de ‘lawfulness’-eis te incorporeren in de proportionaliteitstoets creëert het EHRM ruimte om te beoordelen of er rechtvaardigingsgronden zijn voor de gespannen verhouden tussen een bepaalde maatregel en de ‘lawfulness’-eis.
7.Jurisprudentie EHRM en terugwerkende kracht van (belasting)wetgeving
nietde bedoeling heeft gehad om in deze zaak nieuwe uitgangspunten met betrekking tot (materieel of formeel) terugwerkende kracht van belastingwetgeving te introduceren of het toepassingsgebeid van bestaande uitgangspunten uit te breiden. Dat neemt niet weg dat ik dan met de vraag blijf zitten hoe de overwegingen in r.o. 74 wél moeten worden begrepen, met name wat de betekenis is van het aanhalen van overwegingen uit de M.A.-zaak en de Building Societies-zaak.
9.Behandeling van het middel
ten aanzien van de verwachtingen die belanghebbende mocht hebben in het onderhavige geval moet worden vastgesteld dat op het moment dat belanghebbende en de werknemer het aandelenplan overeenkwamen (18 december 2006), op het moment dat aan de voor toekenning van de aandelen geldende voorwaarden werd voldaan (ultimo 2007), en op het moment dat belanghebbende de toekenning van de aandelen aanvaardde ([9] mei 2008), niet kenbaar was dat werd overwogen een regeling als de onderhavige in te voeren. (…) De verschuldigdheid van de pseudo-eindheffing was op het moment dat de aandelen werden genoten niet te voorzien.’
can be arguedto have certain retroactive features, since – although the severance itself was generated on the applicant’s dismissal – the work in respect of which it was due had been done prior to the introduction of the legislation at issue and the tax concerned remuneration for services provided before the entry into force of the applicable tax law.” In deze overweging, welke ook in onderhavige zaak kan worden toegepast, erkent het EHRM het bestaan van materieel terugwerkende kracht.
uitoefeningen voldoet hiermee aan de kwaliteitseisen die het EHRM in zijn rechtsgeldigheidstoets aanlegt.
invoeringvan de pseudo-eindheffing voorzienbaar was (zie 9.12). Of de invoering van de regeling voorzienbaar was en bijvoorbeeld een inbreuk maakt op gerechtvaardigde verwachtingen, kan worden meegewogen bij de proportionaliteitstoets (vgl. 6.15, 6.16 en r.o. 70 en 75 in de N.K.M. zaak, 7.5).
Niet valt in te zien welk mogelijk ontgaan van de regeling deze vergaande terugwerkende kracht beoogt tegen te gaan. Dat de uitvoerbaarheid van de regeling ernstig geweld zou worden aangedaan door niet aan te sluiten bij volledige kalenderjaren, is niet aannemelijk, nu uit de loonadministratie op eenvoudige wijze is af te leiden op welke data welke bestanddelen van het loon zijn genoten. Daarbij is mede van belang dat slechts een zeer beperkt aantal inhoudingsplichtigen met de onderhavige pseudo-eindheffing te maken krijgt.’