ECLI:NL:HR:2006:AZ4968
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- C.J.J. van Maanen
- J.W.M. Tijnagel
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toerekening van inkomen uit dienstbetrekking bij belastingverdrag Nederland-Mexico
Belanghebbende, woonachtig in Mexico, was directeur en enig aandeelhouder van A BV, gevestigd in Mexico, en had een dienstbetrekking bij C in Nederland. Voor het jaar 1999 werd een aanslag inkomstenbelasting opgelegd die na bezwaar en beroep door het Hof werd verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 22.058, zijnde het deel van de beloning dat betrekking had op de negen dagen daadwerkelijk in Nederland gewerkte dagen.
De kern van het geschil betrof de uitleg van artikel 15 van Pro het belastingverdrag Nederland-Mexico, waarbij het Hof oordeelde dat de beloning tijdsevenredig moest worden toegerekend aan de dagen waarop belanghebbende daadwerkelijk in Nederland werkte, en niet aan de dagen dat zij zich louter beschikbaar hield in Mexico.
De Staatssecretaris stelde in cassatie dat het Hof een onjuiste maatstaf had gehanteerd en dat de woonstaat als hoofdregel meer gewicht moest krijgen. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat de hoofdregel van het verdrag inhoudt dat het inkomen moet worden toegerekend aan de werkstaat voor de dagen waarop daadwerkelijk arbeid is verricht.
De Hoge Raad wees ook het incidentele cassatieberoep van belanghebbende af en veroordeelde de Staat in de proceskosten van belanghebbende. Hiermee werd het arrest van het Hof bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de aanslag wordt beperkt tot het deel van het inkomen dat betrekking heeft op daadwerkelijk in Nederland gewerkte dagen.