Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2001:AD6782

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 december 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36517
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • L. Monné
  • A.R. Leemreis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 60 lid 1 letter a Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep op vertrouwensbeginsel bij foutieve belastingberekening

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, die na bezwaar en beroep bij het Hof werd gehandhaafd. Het geschil betrof de vraag of belanghebbende mocht vertrouwen op een foutieve berekening van de belasting op de aangiftediskette van de Belastingdienst.

Het Hof oordeelde dat het vertrouwensbeginsel niet van toepassing was omdat op de afdruk van de elektronische aangifte nadrukkelijk stond vermeld dat aan de berekening geen rechten konden worden ontleend. Dit voorbehoud gold ook voor de rechtsopvatting die in de berekening besloten lag.

Belanghebbende stelde in cassatie dat sprake was van rechtsongelijkheid omdat bij duizenden belastingplichtigen dezelfde foutieve berekening voorkwam, maar slechts bij een deel daarvan handmatig werd gecorrigeerd. De Hoge Raad verwierp dit beroep omdat deze stelling niet eerder was aangevoerd en feitelijk onderzoek vereist dat in cassatie niet mogelijk is.

De Hoge Raad concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat geen aanleiding bestaat voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

Uitspraak

Nr. 36.517
7 december 2001
FA
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 augustus 2000, nr. 00/00013, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd van ƒ 481 naar een belastbaar inkomen van ƒ 9942, met toepassing van een invorderingsvrijstelling van ƒ 87, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Na het verstrijken van de cassatietermijn heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Daarop kan geen acht worden geslagen, nu de wet niet de mogelijkheid biedt zodanig stuk in te dienen.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1.1. Voor het Hof was onder meer in geschil of belanghebbende aan de door het programma op de aangiftediskette van de Belastingdienst foutief uitgevoerde berekening van de verschuldigde belasting het in rechte te honoreren vertrouwen heeft mogen ontlenen dat zij geen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen zou behoeven te betalen.
3.1.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, aangezien op de afdruk van belanghebbendes elektronische aangifte onder de berekening van de verschuldigde belasting is vermeld dat aan de berekening geen rechten kunnen worden ontleend.
3.1.3. Nu de door het programma op de aangiftediskette - kennelijk als extra service voor de belastingplichtige - uitgevoerde berekening van de te betalen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen is gegeven onder het voorbehoud dat aan de berekening geen rechten kunnen worden ontleend, welk voorbehoud zodanig moet worden opgevat dat het ook geldt ten aanzien van de in de uitkomst van de berekening besloten liggende rechtsopvatting over - in het onderhavige geval - de invloed van de invorderingsvrijstelling op de toepassing van artikel 60, lid 1, letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, kon aan enkel de uitkomst van de berekening door belanghebbende niet een in rechte te honoreren vertrouwen worden ontleend dat geen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen verschuldigd zou zijn. Het Hof heeft derhalve op goede grond een juiste beslissing gegeven.
3.2. Belanghebbende heeft in haar beroepschrift in cassatie gesteld dat er sprake is van rechtsongelijkheid, omdat de fout in de aangiftediskette bij duizenden belastingplichtigen heeft geleid tot een onjuiste berekening van de verschuldigde belasting, terwijl slechts bij een gedeelte van deze belastingplichtigen deze onjuiste berekening handmatig wordt gecorrigeerd. Voorzover de klachten berusten op die stelling, kunnen zij niet tot cassatie leiden. Uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding blijkt niet dat die stelling reeds voor het Hof is aangevoerd. Die stelling vergt een onderzoek van feitelijke aard, waarvoor de cassatieprocedure geen mogelijkheid biedt.
3.3. De klachten kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2001.