ECLI:NL:HR:2007:AZ5671

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00406/06
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.W. Ilsink
  • J. de Hullu
  • W.M.E. Thomassen
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 302 SvArt. 326 SvArt. 330 SvArt. 365a SvArt. 6 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
12 uitgaand · 13 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling spreekrecht nabestaanden en verzoek psychiatrisch onderzoek in hoger beroep

In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte verworpen tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem, waarin hij werd veroordeeld voor verkeersovertredingen met dodelijk en lichamelijk letsel onder invloed. De zaak betrof onder meer de toepassing van het spreekrecht van nabestaanden en de beoordeling van een verzoek tot psychiatrisch onderzoek.

De nabestaande van het slachtoffer maakte gebruik van het spreekrecht en legde een verklaring af over de gevolgen van het ten laste gelegde feit. De Hoge Raad stelde vast dat hoewel het aanbeveling verdient de inhoud van zulke verklaringen in het proces-verbaal op te nemen, de in het proces-verbaal opgenomen weergave voldeed aan de eisen van artikel 326 Sv Pro. Het tweede lid van dat artikel was niet van toepassing omdat de nabestaande niet als getuige was beëdigd.

Daarnaast werd door de raadsman van de verdachte verzocht om aanhouding van de zaak voor nader psychiatrisch onderzoek. De Hoge Raad bevestigde dat artikel 330 Sv Pro vereist dat verzoeken tot nader onderzoek welomschreven onderzoekshandelingen bevatten. Het verzoek voldeed hier niet aan, omdat niet duidelijk werd aangegeven waarop het onderzoek zich moest richten. Het hof was daarom niet verplicht een beslissing te nemen over dit verzoek.

Uiteindelijk verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep en handhaafde het arrest van het hof, dat de verdachte veroordeelde tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan drie voorwaardelijk, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor vijf jaar.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof met gevangenisstraf en ontzegging rijbevoegdheid blijft in stand.

Uitspraak

17 april 2007
Strafkamer
nr. 00406/06
ZK/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 21 juli 2005, nummer 21/000544-05, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 28 januari 2005 - de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde "overtreden van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl degene die aan dat feit schuldig is verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van deze wet" en overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl degene die aan dat feit schuldig is verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van deze wet" veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts is de verdachte de bevoegdheid ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd zoals in het arrest omschreven.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep nietig is nu uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niets blijkt van de inhoud van hetgeen de nabestaande van het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft verklaard omtrent de gevolgen die het aan de verdachte tenlastegelegde feit bij haar en haar familie teweeg heeft gebracht.
3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 juli 2005 houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:
"Ter terechtzitting is verschenen de nabestaande van het slachtoffer [slachtoffer 1], die schriftelijk kennis heeft gegeven een verklaring als bedoeld in artikel 302, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering te willen afleggen.
De nabestaande van het slachtoffer [slachtoffer 1], te weten haar moeder, legt een verklaring af omtrent de gevolgen die het primair tenlastegelegde bij haar en haar familie teweeg heeft gebracht."
3.3. Bij de Wet van 21 juli 2004, Stb. 2004, 382, tot invoering van spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden, in werking getreden op 1 januari 2005, is onder meer ingevoerd art. 302 Sv Pro, waarvan het eerste lid luidt:
"Het slachtoffer of diens nabestaande kan op de terechtzitting een verklaring afleggen omtrent de gevolgen die het tenlastegelegde feit (...) bij hem teweeg heeft gebracht."
3.4. Bovengenoemde wet heeft geen wijziging gebracht in art. 326 Sv Pro, dat luidt:
"1. De griffier houdt het proces-verbaal der terechtzitting, waarin achtereenvolgens aanteekening geschiedt van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt.
2. Het behelst tevens den zakelijken inhoud van de verklaringen der getuigen, deskundigen en verdachten. Indien de officier van justitie vordert of de verdachte verzoekt dat eenige verklaring woordelijk zal worden opgenomen, wordt daaraan, voor zoover de verklaring redelijke grenzen niet overschrijdt, op last van den voorzitter zooveel mogelijk voldaan en daarvan voorlezing gedaan. Acht de officier van justitie of de verdachte de verklaring niet voldoende weergegeven, dan beslist de rechtbank.
3. De voorzitter kan gelasten dat in het proces-verbaal van eenige bepaalde omstandigheid, verklaring of opgave aanteekening zal worden gedaan.
4. Gelijke aantekening geschiedt, wanneer een der rechters het verlangt, of op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte of de benadeelde partij."
3.5. Hoewel het aanbeveling verdient dat de (zakelijke) inhoud van hetgeen het slachtoffer of de nabestaande ter terechtzitting heeft verklaard, in het proces-verbaal van de terechtzitting wordt vermeld, is, anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, met de hiervoor onder 3.2 opgenomen weergave voldaan aan art. 326 Sv Pro, in het bijzonder het eerste lid. Opmerking verdient dat het tweede lid van dit artikel in het onderhavige geval - waarin de nabestaande niet als getuige is beëdigd en gehoord - niet van toepassing is.
3.6. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof niet in het verkorte arrest, maar in de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv heeft beslist op het verzoek van de raadsman om met betrekking tot de verdachte een psychiatrische rapportage te laten opmaken en daartoe de behandeling van de zaak aan te houden.
4.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de raadsman van de verdachte aldaar - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende heeft aangevoerd:
"Mijn cliënt aanvaardt de verantwoordelijkheid. Waarom hij komt tot dit soort onverantwoordelijk gedrag? Hij voelt zich schuldig. Hij heeft ernstige psychische klachten. Het is van belang dat er een beter beeld omtrent mijn cliënt ontstaat zodat er een goed begrip kan ontstaan. Primair verzoek ik u de zaak aan te houden voor een nader onderzoek door de FPD. Subsidiair verzoek ik u mijn cliënt een taakstraf op te leggen met daarnaast een voorwaardelijke straf en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen."
4.3. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a Sv houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:
"Opmerking vooraf
In het verkort arrest is abusievelijk verzuimd de beslissing en motivering van het hof op het aanhoudingsverzoek van de verdediging op te nemen. De betreffende passage luidt als volgt:
Beslissing op aanhoudingsverzoek
De raadsman van verdachte heeft verzocht de zaak aan te houden voor een nader onderzoek door de FPD.
Het hof wijst dit verzoek af, omdat het een dergelijk onderzoek niet noodzakelijk acht en aangezien - mede in het licht van het reeds voorhanden materiaal - door de verdediging onvoldoende onderbouwd wordt waarop een dergelijk onderzoek in het bijzonder zou moeten zijn gericht."
4.4. Het voorschrift van art. 330 Sv Pro veronderstelt - voor zover het een verzoek betreft dat strekt tot het (doen) verrichten van nader onderzoek - dat de verzoeker welomschreven onderzoekshandelingen opgeeft, zoals het nog (doen) horen van met name genoemde getuigen (of getuige-deskundigen) of het inwinnen van een deskundigenbericht omtrent een welomschreven vraagstelling (vgl. HR 23 november 1999, NJ 2000, 128). Het hiervoor weergegeven verzoek voldoet niet aan dat vereiste nu daarin - tegen de achtergrond van de aan het Hof omtrent de persoon van de verdachte reeds bekende gegevens - niet met de vereiste duidelijkheid is aangegeven waarop het gevraagde nader onderzoek zich zou moeten richten.
Het Hof was dus niet gehouden dienaangaande een beslissing te geven.
4.5. Het middel faalt.
5. Beoordeling van het derde middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
6. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
7. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink, J. de Hullu, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 17 april 2007.