ECLI:NL:HR:2007:AZ6535

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R06/105HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 2 sub b FaillissementswetArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw ontstaan van schulden

Verzoekster heeft bij de rechtbank verzocht om toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 288 lid 2 sub b van Pro de Faillissementswet. De rechtbank wees dit verzoek op 10 mei 2006 af. Verzoekster ging in hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam, dat het vonnis van de rechtbank op 28 juli 2006 bevestigde. Vervolgens stelde verzoekster beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden. Dit oordeel werd genomen zonder nadere motivering, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De conclusie van de Advocaat-Generaal strekte tot verwerping van het beroep, waarop de advocaat van verzoekster reageerde.

De Hoge Raad heeft het beroep van verzoekster verworpen en het arrest van het gerechtshof bekrachtigd. De beslissing bevestigt dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling terecht is afgewezen wegens het niet te goeder trouw laten ontstaan van schulden, zoals bedoeld in artikel 288 lid 2 sub b van Pro de Faillissementswet.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het niet te goeder trouw laten ontstaan van schulden.

Uitspraak

16 februari 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. R06/105HR
RM/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. J. Biemond, thans mr. P. Garretsen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 10 maart 2006 ter griffie van de rechtbank te Amsterdam ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: [verzoekster] - zich gewend tot die rechtbank en verzocht ten aanzien van haar de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 10 mei 2006 het verzoek afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Het hof heeft bij arrest van 28 juli 2006 de uitspraak waarvan beroep bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [verzoekster] heeft bij brief van 27 december 2006 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, P.C. Kop, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 16 februari 2007.