ECLI:NL:PHR:2009:BH3097
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsanering wegens gebrek aan goede trouw door strafbare gedragingen
In deze zaak heeft de schuldenaar een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend, dat door de rechtbank en het hof werd afgewezen omdat niet aannemelijk was dat hij te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De schuldenaar was veroordeeld wegens mishandeling en bedreiging van zijn echtgenote, met wie hij een onderneming dreef. Door deze strafbare feiten eindigde de samenwerking abrupt, waardoor de bank het krediet opzegde en het bedrijf in financiële problemen kwam.
De schuldenaar voerde in hoger beroep aan dat hij tijdens zijn detentie pogingen had gedaan het bedrijf draaiende te houden en dat er geen causaal verband bestond tussen zijn detentie en de teloorgang van het bedrijf. Het hof oordeelde echter dat de gedragsmaatstaf van goede trouw mede inhoudt dat het opzettelijk plegen van strafbare feiten die leiden tot het onbetaald laten van schulden, reden is om het verzoek af te wijzen.
De Hoge Raad bevestigt dat sinds 1 januari 2008 de toetsingsmaatstaf van art. 288 lid 1 sub b Fw Pro (nieuw) geldt, waarbij goede trouw een gedragsmaatstaf is die alle omstandigheden betrekt. De Raad wijst erop dat geen direct causaal verband vereist is tussen het strafbare feit en het onbetaald laten van schulden. Ook het feit dat de schuldenaar tijdens voorlopige hechtenis pogingen deed het bedrijf te redden, weegt niet zwaarder dan het feit dat hij door zijn strafbare gedragingen zijn financiële belangen en die van crediteuren op het spel heeft gezet. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw van de schuldenaar.