ECLI:NL:HR:2007:BA3142
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Begrippen feit en vervoeren in de Opiumwet bij voorbereiden en bevorderen van heroïnevervoer
In deze strafzaak stond de vraag centraal of het voorbereiden of bevorderen van het opzettelijk vervoeren van heroïne strafbaar is wanneer het vervoer buiten het Nederlandse grondgebied plaatsvindt. De verdachte werd veroordeeld voor het medeplegen van het voorbereiden van het vervoer van circa twee kilogram heroïne, waarbij het vervoer deels in België plaatsvond.
De verdediging stelde dat het begrip 'feit' in artikel 10a van de Opiumwet slechts feiten omvat die (deels) in Nederland zijn begaan, en dat het vervoer van heroïne buiten Nederland niet strafbaar zou zijn onder deze bepaling. De Hoge Raad verwierp dit verweer en stelde dat uit de tekst en strekking van de Opiumwet niet volgt dat het verbod op vervoeren beperkt is tot Nederland. Het vervoeren van heroïne buiten Nederland kan dus ook een strafbaar feit opleveren.
Het hof had de verdachte veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf voor medeplegen van het voorbereiden van het opzettelijk vervoeren van heroïne. De Hoge Raad concludeerde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en verwierp het beroep. Hiermee bleef de veroordeling in stand.
De uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van het begrip 'feit' en het begrip 'vervoeren' in de Opiumwet, met name dat het voorbereiden of bevorderen van het vervoer van verdovende middelen ook buiten Nederland strafbaar kan zijn.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling tot achttien maanden gevangenisstraf voor medeplegen van het voorbereiden van het opzettelijk vervoeren van heroïne.