ECLI:NL:HR:2007:BA5804
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- C.A. Streefkerk
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake voorlopige omgangsregeling
De moeder verzocht de rechtbank Breda om de bij echtscheidingsconvenant afgesproken omgangsregeling en de begeleide omgangsregeling uit het kort geding van 3 april 2003 te beëindigen. De vader bestreed dit verzoek en wilde handhaving van de omgangsregeling. De rechtbank bepaalde op 14 september 2005 dat de vader en het kind voorlopig gerechtigd waren tot omgang op wijze zoals door de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant zou worden aangegeven, en hield de zaak aan.
De moeder stelde hiertegen hoger beroep in bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch, dat de beschikking van de rechtbank op 27 juli 2006 bekrachtigde. Vervolgens stelde de moeder beroep in cassatie in tegen deze bekrachtiging. De vader verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar cassatieberoep.
De Hoge Raad overwoog dat de beschikking van de rechtbank een tussenbeschikking was als bedoeld in art. 358 lid 4 Rv Pro, waardoor de moeder nog niet in hoger beroep had mogen komen. Gezien het feit dat niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep hetzelfde resultaat zou hebben als de verwerping van het hoger beroep, had de moeder geen belang bij haar cassatieberoep. Daarom verklaarde de Hoge Raad de moeder niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep.
Uitkomst: De moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep tegen de voorlopige omgangsregeling.