ECLI:NL:HR:2007:BA5804

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R06/144HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake voorlopige omgangsregeling

De moeder verzocht de rechtbank Breda om de bij echtscheidingsconvenant afgesproken omgangsregeling en de begeleide omgangsregeling uit het kort geding van 3 april 2003 te beëindigen. De vader bestreed dit verzoek en wilde handhaving van de omgangsregeling. De rechtbank bepaalde op 14 september 2005 dat de vader en het kind voorlopig gerechtigd waren tot omgang op wijze zoals door de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant zou worden aangegeven, en hield de zaak aan.

De moeder stelde hiertegen hoger beroep in bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch, dat de beschikking van de rechtbank op 27 juli 2006 bekrachtigde. Vervolgens stelde de moeder beroep in cassatie in tegen deze bekrachtiging. De vader verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar cassatieberoep.

De Hoge Raad overwoog dat de beschikking van de rechtbank een tussenbeschikking was als bedoeld in art. 358 lid 4 Rv Pro, waardoor de moeder nog niet in hoger beroep had mogen komen. Gezien het feit dat niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep hetzelfde resultaat zou hebben als de verwerping van het hoger beroep, had de moeder geen belang bij haar cassatieberoep. Daarom verklaarde de Hoge Raad de moeder niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep.

Uitkomst: De moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep tegen de voorlopige omgangsregeling.

Uitspraak

28 september 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. R06/144HR
MK/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. R.T.R.F. Carli,
t e g e n
[De vader],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. R.F. Thunnissen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de vader.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 27 juli 2004 ter griffie van de rechtbank Breda ingediend verzoekschrift heeft de moeder zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, de bij echtscheidingsconvenant afgesproken omgangsregeling en de in het kort gedingvonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 3 april 2003 opgelegde begeleide omgangsregeling tussen de vader en de uit het huwelijk tussen partijen geboren minderjarige [dochter] te beëindigen.
De vader heeft het verzoek bestreden en verzocht, kort gezegd, te bepalen dat de moeder haar medewerking dient te verlenen bij het naleven van de omgangsregeling zoals is opgenomen in het echtscheidingsconvenant, althans haar medewerking dient te verlenen bij het naleven van de omgangsregeling zoals is bepaald in het kort gedingvonnis van 3 april 2003.
De rechtbank heeft bij beschikking van 14 september 2005 bepaald dat de vader en [het kind] voorlopig gerechtigd zijn tot omgang met elkaar op de wijze zoals aan te geven door de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna: de Stichting) en de behandeling van de zaak in afwachting van partijen en de Stichting omtrent het verloop van de omgang aangehouden.
Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij beschikking van 27 juli 2006 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vader heeft verzocht de moeder in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1 Tegen de hiervoor in 1 vermelde beschikking van de rechtbank Breda van 14 september 2005, waarin de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, heeft bepaald dat de vader en [het kind] voorlopig gerechtigd zijn tot omgang met elkaar op de wijze zoals aan te geven door de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, en waarin de behandeling van de zaak is aangehouden in afwachting van bericht van partijen en die stichting omtrent het verloop van de omgang, heeft de moeder hoger beroep ingesteld. Het hof heeft die beschikking evenwel bekrachtigd.
3.2 De moeder heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatiemiddel bevat uitsluitend de klacht dat zowel de moeder als het hof over het hoofd heeft gezien dat de beschikking van de rechtbank van 14 september 2005 een tussenbeschikking is als bedoeld in art. 358 lid 4 Rv Pro., zodat de moeder, die nog niet in hoger beroep had mogen komen, niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden in haar hoger beroep.
3.3 Gegrondbevinding van deze klacht zou ertoe leiden dat de moeder alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar hoger beroep tegen de voorlopig vastgestelde omgangsregeling tussen de vader en [het kind]. Een dergelijke niet-ontvankelijkverklaring leidt tot hetzelfde resultaat als waartoe de verwerping van het door de moeder ingestelde hoger beroep heeft geleid, namelijk het in stand blijven van de door de rechtbank voorlopig vastgestelde omgangsregeling. De moeder heeft derhalve geen belang bij haar cassatieberoep, zodat zij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 28 september 2007.