ECLI:NL:PHR:2012:BV2507
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van voorlopige alimentatie en hoger beroep ontvankelijkheid bij echtscheiding
In deze zaak gaat het om de vraag of een voorlopige alimentatiebeschikking van de rechtbank als eindbeschikking moet worden aangemerkt, zodat hoger beroep binnen drie maanden moet worden ingesteld om ontvankelijk te zijn. De man en vrouw waren gehuwd en gescheiden, waarbij de rechtbank voorlopige alimentatie aan de vrouw toekende. De man stelde geen draagkracht te hebben en ging in hoger beroep tegen deze beschikking.
Het hof verklaarde het hoger beroep van de man tegen de voorlopige alimentatiebeschikking niet-ontvankelijk omdat deze te laat was ingesteld. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat een voorlopige alimentatiebeschikking, indien zij in het dictum een uitdrukkelijke en definitieve beslissing bevat over een deel van het verzochte, als een eindbeschikking moet worden gezien. Dit betekent dat hoger beroep binnen de wettelijke termijn moet worden ingesteld.
De Hoge Raad benadrukt dat het begrip 'voorlopig' in de beschikking niet altijd betekent dat het een tussenbeschikking betreft; het kan ook een tijdelijke maar definitieve vaststelling betreffen voor een bepaald tijdvak. De man had onvoldoende bewijs geleverd voor zijn stelling dat hij geen draagkracht had vanwege extra kosten door lichamelijke beperkingen, waardoor zijn grief werd verworpen.
De Hoge Raad wijst de cassatie toe en bevestigt dat de man niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep tegen de voorlopige alimentatiebeschikking van 28 oktober 2008. Hiermee wordt de eerdere beschikking bekrachtigd en blijft de alimentatieverplichting van de man in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de voorlopige alimentatiebeschikking is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.