ECLI:NL:PHR:2008:BD7077
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Voorlopige uitbreiding omgangsregeling moeder en dochter niet in belang van kind
In deze zaak staat de voorlopige uitbreiding van een omgangsregeling tussen een moeder en haar dochter centraal. De moeder had verzocht om een ruimere en frequentere omgangsregeling, welke door de kinderrechter voorlopig werd toegewezen. De Raad voor de Kinderbescherming had echter een onderzoek ingesteld naar een verderstrekkende maatregel, waaronder ontheffing van het ouderlijk gezag.
Het hof oordeelde dat de beschikking van de kinderrechter, hoewel voorlopig genoemd, feitelijk een eindbeslissing was omdat de uitbreiding van de omgangsregeling onherroepelijk was en niet ongedaan kon worden gemaakt. Het hof verklaarde het hoger beroep van BJAA ontvankelijk en wees het verzoek van de moeder af, omdat een verdere uitbreiding niet in het belang van het kind werd geacht.
De moeder stelde in cassatie dat het hof onzorgvuldig had gehandeld door het oordeel over de aard van de beschikking en het belang van de omgangsregeling zonder voldoende motivering te geven en zonder haar de mogelijkheid te bieden zich hiertegen te verweren. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat het hof het belang van het kind en de moeder voldoende had meegewogen en dat de moeder wel degelijk gelegenheid had gehad tot verweer.
De Hoge Raad concludeert dat de voorlopige uitbreiding van de omgangsregeling een definitieve beslissing was en dat het oordeel van het hof dat verdere uitbreiding niet in het belang van het kind was, voldoende gemotiveerd en begrijpelijk was. Het beroep van de moeder wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de voorlopige uitbreiding van de omgangsregeling wordt bevestigd als niet in het belang van het kind.