ECLI:NL:HR:2007:BB3776

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C06/156HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 1 EP EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen aansprakelijkheid gemeente voor schade door bebouwingsbeperking

De eigenaren van een hotel hebben de gemeente gedagvaard wegens onrechtmatig handelen en vorderden een schadevergoeding van bijna één miljoen euro vanwege beperkingen in de bebouwing die hun eigendom aantasten. De bestuursrechter had de schadevordering afgewezen, waarna de eigenaren hoger beroep instelden, dat door het gerechtshof werd bekrachtigd. Vervolgens werd cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de civiele rechter bevoegd is om een schadevordering te beoordelen die is gebaseerd op schending van artikel 6 EVRM Pro (recht op een eerlijk proces) en artikel 1 EP Pro EVRM (bescherming eigendom). De formele rechtskracht van het bestemmingsplan verhindert echter dat de eigenaren zich kunnen beroepen op schending door de gemeente van het opgewekte vertrouwen. Hierdoor kon de vordering niet worden toegewezen.

Het cassatieberoep werd verworpen zonder nadere motivering, omdat de klachten geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad veroordeelde de eisers in de kosten van het geding in cassatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de schadevordering tegen de gemeente wordt afgewezen.

Uitspraak

9 november 2007
Eerste Kamer
Nr. C06/156HR
MK/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiseres 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [Eiseres 2],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERESSEN tot cassatie,
advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans,
t e g e n
GEMEENTE BERGEN,
zetelende te Alkmaar,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: R.S. Meijer.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres 1], [eiseres 2] en de Gemeente.
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiseres 1] en [eiseres 2] hebben bij exploot van 8 december 2003 de Gemeente gedagvaard voor de rechtbank Alkmaar en gevorderd, kort gezegd, te verklaren voor recht dat de Gemeente jegens [eiseres 1] en [eiseres 2] onrechtmatig heeft gehandeld en de Gemeente te veroordelen om aan [eiseres 1] en [eiseres 2] te betalen een bedrag van € 971.454,57, met rente en kosten.
De Gemeente heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 29 september 2004 [eiseres 1] en [eiseres 2] niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit vonnis hebben [eiseres 1] en [eiseres 2] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 16 februari 2006 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiseres 1] en [eiseres 2] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres 1] en [eiseres 2] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 5.905,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 9 november 2007.