Conclusie
1.Inleiding
[eiser]in het mannelijk enkelvoud) zijn met bestuursrechtelijke beroepen opgekomen tegen diverse ruimtelijke ordeningsbesluiten van de gemeente Borne en hebben tevens civielrechtelijke procedures gevoerd. De onderhavige procedure is in 2012 gestart en eerder bij de Hoge Raad geweest. [1] Na vernietiging en verwijzing heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna:
het verwijzingshof) de vorderingen van [eiser] afgewezen. Na verwijzing stond centraal de vraag of de gemeente was gehouden [eiser] uit te kopen en, zo ja, of zij door dat niet te doen het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden en daarom jegens [eiser] schadeplichtig is.
2.Feiten
[het bestemmingsplan] ’) vastgesteld. Daarin is het
perceelvan de familie [eiser] en een groot deel van de directe omgeving tot bedrijventerrein bestemd. De
woningvan de familie [eiser] is niet als zodanig bestemd. Dit bestemmingsplan is op 21 december 2007 onherroepelijk geworden.
rechtmatigaanwezig te zijn en als zodanig onderdeel uit te maken van het oude planologische regime.
bedrijfswoning. Tegen dit besluit heeft [eiser] beroep ingesteld.
[het herziene bestemmingsplan]) is op 11 november 2014 vastgesteld. Het voorziet in de actualisering van het juridisch-planologisch kader voor [bedrijventerrein 1] . Dit bestemmingsplan is, voor zover voor de onderhavige zaak van belang, door een uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2016 onherroepelijk geworden. [6]
Structuurplan) vastgesteld. Het Structuurplan vermeldt, voor zover in dit geding van belang, op bladzijde 31 dat de ontwikkeling van bedrijvigheid plaatsvindt aan de zuidwestelijke en westelijke rand van [plaats] . Het betreft onder andere [bedrijventerrein 1] . Uit de tekening op bladzijde 9 van het Structuurplan van het plangebied, kan worden afgeleid dat het perceel van de familie [eiser] buiten dit gebied valt. Op tekeningen waarop de uitwerking van het Structuurplan te zien is op bladzijden 26 en 30, staat het perceel van de familie [eiser] binnen het gebied aangeduid als ‘bedrijven’.
Nota van Uitgangspunten) uitgebracht door de (aan elkaar grenzende) gemeenten Borne en Hengelo, in samenwerking met DHV Ruimte en Mobiliteit B.V. Het op bladzijde 63 van deze nota getekende bedrijventerrein wordt aan de noordzijde begrensd door de [a-straat] - [b-straat] . Het ten noorden van de [a-straat] gelegen perceel van [eiser] valt buiten het op deze tekening getekende plangebied.
Memo 2004) wordt onder meer uiteengezet dat een besluit om niet te handhaven “naar onze mening” een juridische toetsing niet zal kunnen doorstaan. Het advies besluit als volgt:
3.Procesverloop
tussenarrestvan 9 juli 2019 [15] voorop dat in dit stadium van het geding uitgangspunt is dat de woning van de familie [eiser] wél is wegbestemd. Het verwijzingshof moet daarom de stellingen van [eiser] in eerste aanleg en in hoger beroep, die voortbouwen op het wegbestemmen van de woning, verder beoordelen. Voor het overige geldt dat moet worden uitgegaan van de eindbeslissingen van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden. Niet bestreden zijn alle andere overwegingen dan rov. 4.13 en 4.18-4.19. Tevergeefs bestreden overwegingen zijn rov. 4.18-4.19 van het arrest waartegen onderdelen II en III van het cassatiemiddel waren gericht. Het verwijzingshof stelt dat de consequentie van het arrest van de Hoge Raad is dat de inhoud van [het bestemmingsplan] met inbegrip van het daarin opgenomen wegbestemmen van de woning van [eiser] voor
rechtmatigmoet worden gehouden (rov. 6.3.3). Het verwijzingshof dient op basis van het arrest van de Hoge Raad bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vorderingen verder rekening te houden met de bestemming die de woning heeft gekregen in het latere [het herziene bestemmingsplan] (te weten: bedrijfswoning). Dit een en ander leidt er toe dat:
”
met de vaststelling van [het bestemmingsplan]onrechtmatig heeft gehandeld en dat de overweging in rov. 4.18 over het gelijkheidsbeginsel dus alleen kan worden betrokken op het handelen van de gemeente Borne in het kader van het vaststellen van [het bestemmingsplan] . Zo heeft de Hoge Raad de overwegingen van het hof Arnhem-Leeuwarden ook samengevat (in rov. 3.2.3 van zijn arrest). De uitleg door de gemeente Borne van rov. 4.18 van het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, die overigens de onaannemelijke consequentie zou hebben dat er eigenlijk niets meer te beslissen valt na verwijzing, wordt door het hof dus verworpen.
eindarrestvan 17 maart 2020 (rov. 8.2) blijkt dat het verwijzingshof ter comparitie de gemeente heeft bevolen om de volledige teksten van het voorstel van 20 januari 2010 en het Memo 2004 over te leggen.
buitenhet te ontwikkelen plangebied valt, maar na te laten dat te doen ten aanzien van de kaarten waarop te zien is dat het perceel
daarbinnenvalt en ii) door bedrijfswoningen binnen het plangebied (ten zuiden van de [b-straat] ) te presenteren als woningen en door burgerwoningen buiten het plangebied (ten noorden van de [b-straat] ) op te voeren. Het verwijzingshof heeft aan de gemeente het verwijt gemaakt van onvolledigheid van de informatieverschaffing (zie rov. 6.6.4-6.6.5 van het tussenarrest), maar niet is gebleken dat de gemeente opzettelijk onvolledige informatie (de ene kaart wel en de andere kaart niet) heeft verstrekt. Daarbij acht het verwijzingshof van belang dat het Voorkeursmodel en het Structuurplan kaarten bevatten die niet (geheel) met elkaar overeenstemmen, dat het Structuurplan een groter gebied op hoofdlijnen betreft en dat de kaarten daarin minder gedetailleerd zijn uitgewerkt (rov. 9.5.2.8). Het verwijzingshof is van oordeel dat de gemeente met haar argumentatie over de woningen de rechter en [eiser] niet op het verkeerde been heeft gezet. De gemeente mocht ervan uitgaan dat voor [eiser] duidelijk was hoe de planologische situatie met betrekking tot deze woningen was en dat was, gezien de reactie in de processtukken, ook het geval (rov. 9.5.2.9).
In de Nota van Uitgangspunten “ [bedrijventerrein 2] ” geeft u aan reguliere bedrijvigheid te willen vestigenaangrenzend aan ons perceel aan de overzijde van de [a-straat][onderstreping hof]. Ook uit het voorbereidingsbesluit tot herziening van de bestemmingsplannen op de locatie “ [bedrijventerrein 2] ” van 28 oktober 2004 blijkt dat het perceel van de familie [eiser] op dat moment geen onderdeel uitmaakte van het plannen tot realisering van [bedrijventerrein 1] .
4.Bespreking van het middel in het principaal cassatieberoep
Onderdeel Ibetoogt dat het verwijzingshof in het tussenarrest de grenzen van de procedure te nauw heeft getrokken door slechts te toetsen of de gemeente Borne schadeplichtig is wegens schending van het gelijkheidsbeginsel.
Onderdeel IIklaagt over de uitleg van het Structuurplan Uitbreiding Borne 2001 in het eindarrest. De
onderdelen III en IVbetogen dat het verwijzingshof een onjuiste maatstaf aanlegt bij de beoordeling van misleiding (III) en van schending van het gelijkheidsbeginsel (IV).
Onderdeel Vgaat in op de relevantie van de door het verwijzingshof van de gemeente verzochte (beleids)stukken uit 2010 en 2004 en de daaruit getrokken conclusies.
Onderdeel Ibacht genoemd oordeel onjuist, aangezien het verwijzingshof op grond van art. 23 Rv Pro gehouden is op alle onderdelen van de vordering te beslissen.
Onderdeel Icbetoogt dat het verwijzingshof heeft miskend dat met de vernietiging van het arrest van 26 januari 2016 van het hof Arnhem-Leeuwarden door de Hoge Raad niet alleen rov. 4.13 van dat arrest (onder het kopje “
Heeft de gemeente Borne het woonhuis van [eiser] met [het bestemmingsplan] ‘wegbestemd’?”), maar ook de daarop voortbouwende rov. 4.18-4.19 van dat arrest (onder het kopje “
Heeft de gemeente Borne met de vaststelling van [het bestemmingsplan] anderszins onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld’?) niet in stand zijn gebleven. Het verwijzingshof diende derhalve te onderzoeken of en in hoeverre [eiser] materiële en immateriële schade leed doordat de gemeente zijn woning wegbestemde maar steeds volhield dat niet te hebben gedaan.
voor zover [eiser] enkel nog vergoeding vordert van de door schending van het gelijkheidsbeginsel geleden schade”) onbegrijpelijk is, aangezien [eiser] onverkort vasthield aan zijn vordering tot vergoeding van materiële schade (met name proceskosten) en immateriële schade veroorzaakt door, samengevat, de opstelling van de gemeente over de status van de woning. Ook waar [eiser] zelf de schending van het gelijkheidsbeginsel omschrijft als de essentie van de procedure, betekent dat nog niet dat het geding na cassatie hiertoe beperkt zou zijn. In nr. 3.22 van de procesinleiding voert [eiser] aan dat, naar het oordeel van het hof Arnhem-Leeuwarden in rov. 4.5 van het arrest van 26 januari 2016, de veertien in appel aangevoerde grieven, op twee na, tot onderwerp hadden de vordering tot vergoeding van de schade geleden als gevolg van het wegbestemmen van de woning en als gevolg van de tijd gemoeid met het uitblijven daarvan. [18] De klachten in onderdeel I betogen dat alle stellingen die voortbouwen op het wegbestemmen van de woning in [het bestemmingsplan] en de houding van de gemeente ten aanzien daarvan door het verwijzingshof opnieuw hadden moeten worden beoordeeld.
nochanderszins onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld (rov. 4.12-4.18). Het bestemmingsplan heeft formele rechtskracht (rov. 4.19). De gemeente heeft [eiser] (los van het bestemmingsplan) evenmin onjuist ingelicht over zijn rechten bij het wijzigen van de bestemming op zijn perceel (4.19). Daar komt bij dat de schade als gevolg van de planwijziging is vergoed (rov. 4.21).
alleen noopt tot beoordeling van de stellingen van [eiser] die op het ‘wegbestemmen’ van de woning voortbouwen(zie het bestreden arrest, rov. 4.13 slot). Daarbij is het volgende van belang. Blijkens hetgeen hiervoor in 3.4 is beslist, komt onderdeel III tevergeefs op tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.19) dat het beginsel van formele rechtskracht eraan in de weg staat dat in deze procedure wordt onderzocht of [het bestemmingsplan] een onrechtmatige daad jegens [eiser] oplevert doordat diens woning daarin niet positief is bestemd
. In het geding na verwijzing moet derhalve de inhoud van [het bestemmingsplan] , met inbegrip van het daarin ‘wegbestemmen’ van de woning van [eiser] , voor rechtmatig worden gehouden. Voorts dient in het geding na verwijzing rekening te worden gehouden met de bestemming die de woning heeft gekregen in het [het herziene bestemmingsplan](…).”
Bij dat laatste (tevergeefs bestreden) gaat het om de onderdelen II en III van het cassatiemiddel van de familie [eiser] . Deze betroffen, kort samengevat, hetgeen het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft overwogen in de rov. 4.18 en 4.19, waartegen onderdelen II en III van het cassatiemiddel waren gericht.Bij het eerste (niet bestreden) gaat het om alle andere overwegingen van het hof Arnhem-Leeuwarden (dus niet zijnde rov. 4.13, 4.18 en 4.19). Dit alles staat dus in dit stadium van het geding niet meer ter discussie.
De consequentie hiervan is onder meer dat de inhoud van [het bestemmingsplan] , met inbegrip van het daarin opgenomen ‘wegbestemmen’ van de woning van de familie [eiser] , voor rechtmatig moet worden gehouden(zie rov. 3.6., tweede alinea van het arrest van de Hoge Raad).
Verder dient het hof bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vorderingen rekening te houden met de bestemming die de woning heeft gekregen in het latere [het herziene bestemmingsplan](zie rov. 3.6., derde alinea van het arrest van de Hoge Raad).
voor zover die stellingen niet de inhoud van [het bestemmingsplan] betreffen.
Al voortbouwend op het wegbestemd zijn is thans aan de orde dat de gemeente door haar houding ten aanzien van het uitblijven van vergoeding van schade in vergelijking met de overige 32 gedupeerden, onrechtmatig heeft gehandeld. Dat is het geval als komt vast te staan dat het gelijkheidsbeginsel door de gemeente is geschonden. Dat is nu het centrale thema van de rechtsstrijd: heeft de gemeente in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld.”
Deze stelling, die voortbouwt op het wegbestemmen van de woning van de familie [eiser] , en die het hof Arnhem-Leeuwarden in rov. 4.13 ongegrond heeft bevonden op basis van het in cassatie gestrande oordeel dat van wegbestemmen geen sprake is, moet dit hof nu verder beoordelen. De rechtsstrijd na de verwijzing vindt zijn begrenzing buiten deze stelling.
heeftplaatsgevonden. [eiser] lijkt dat laatste te betwisten door de klacht ook te richten tegen rov. 4.21 van het Arnhemse arrest, maar die concluderende rechtsoverweging was als zodanig in de eerdere cassatieprocedure niet bestreden en vormt daarom uitgangspunt in de procedure na verwijzing. Voor een (aanvullende) schadevergoeding toegekend door de civiele rechter is slechts nog ruimte indien sprake zou zijn van een (andere) onrechtmatige gedraging van de gemeente, die naar het oordeel van het hof ontbreekt.