ECLI:NL:HR:2007:BB7658
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing van 'bestuurder' in Wegenverkeerswet 1994 bij alcoholcontrole
In deze zaak stond centraal de uitleg van het begrip 'bestuurder' in de Wegenverkeerswet 1994, met name in de artikelen 163 en 179. De verdachte werd veroordeeld wegens het niet voldoen aan een ademonderzoek na verdenking van rijden onder invloed op 10 mei 2004 in Zwolle.
Het hof had de verdachte veroordeeld tot een taakstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor zes maanden. De verdachte stelde in cassatie dat niet was vastgesteld dat hij daadwerkelijk als bestuurder had gehandeld, waardoor de ontzegging niet gerechtvaardigd zou zijn.
De Hoge Raad oordeelde dat onder 'bestuurder' ook degene wordt verstaan die wordt verdacht van poging tot overtreding van artikel 8 WVW Pro 1994. Deze uitleg is in lijn met de wetsgeschiedenis en het doel van de wet om effectief toezicht te houden op alcoholgebruik in het verkeer. Hierdoor was het hof bevoegd om de bijkomende straf van ontzegging op te leggen.
De overige middelen van de verdachte werden verworpen, en het cassatieberoep werd afgewezen. Het arrest bevestigt de ruime interpretatie van 'bestuurder' en de mogelijkheid tot oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid bij poging tot overtreding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling met taakstraf en ontzegging van de rijbevoegdheid voor zes maanden.