ECLI:NL:HR:2007:BB8762
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dubbele strafbaarheid bij poging tot aankoop cocaïne ondanks ontbreken verdovend middel
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam inzake uitlevering van een persoon aan de Verenigde Staten wegens poging tot aankoop van een halve kilo cocaïne. De verdachte betaalde $14.000 voor een pakket dat hij dacht cocaïne te bevatten, maar dat later bleek geen verdovend middel te bevatten.
De verdediging voerde aan dat het ontbreken van het verdovende middel in het pakket de dubbele strafbaarheid ontbrak en dat het pakket als een ondeugdelijk middel moest worden beschouwd, waardoor het feit niet strafbaar zou zijn volgens de Nederlandse Opiumwet. De officier van justitie stelde daartegenover dat de verdachte geen invloed had op de inhoud van het pakket en dat het feit wel degelijk strafbaar is volgens art. 10a Opiumwet.
De rechtbank oordeelde dat de verdenking gerechtvaardigd was dat de verdachte het pakket wilde aanschaffen met het oog op verdere verstrekking aan anderen, wat strafbaar is. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep, stellende dat het ontbreken van het verdovende middel in het pakket aan de strafbaarheid niets afdoet, conform eerdere jurisprudentie. De uitlevering werd daarmee toelaatbaar verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de poging tot aankoop van cocaïne strafbaar is volgens art. 10a Opiumwet en verwerpt het cassatieberoep tegen uitlevering.