ECLI:NL:PHR:2011:BP3862
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt zelfstandige strafbaarheid van voorbereidingshandelingen bij cocaïnesmokkel
In deze zaak stond de vraag centraal of de voorbereidingshandelingen van de verdachte en haar mededaders, gericht op het binnenbrengen van circa 25 kilogram cocaïne, strafbaar zijn, ook al was de koffer met cocaïne niet daadwerkelijk aangetroffen. De verdachte werd door het Hof Amsterdam veroordeeld wegens medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van het feit als bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet.
De verdediging voerde in cassatie aan dat het bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid en dat de verdachte niet wist dat het om cocaïne ging. De Hoge Raad herhaalde de relevante overwegingen uit eerdere jurisprudentie en benadrukte het zelfstandige karakter van artikel 10a Opiumwet, dat strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen mogelijk maakt zonder dat een concrete partij harddrugs hoeft te zijn aangetroffen.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zij zich schuldig maakte aan voorbereiding van invoer van cocaïne, mede gelet op haar eigen verklaring dat zij vermoedde dat het om cocaïne ging. Het feit dat de koffer niet werd gevonden, ontneemt de strafbaarheid van de voorbereidingshandelingen niet. Het middel faalt en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de verdachte voor medeplegen van voorbereiding van invoer van cocaïne en verwerpt het cassatieberoep.