ECLI:NL:HR:2008:BA7548

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
42511
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 lid 4 AWRArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
7 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad schorst belastingzaak navorderingsaanslagen wegens prejudiciële vragen EG-recht

Belanghebbende is navorderingsaanslagen opgelegd voor de jaren 1995 tot en met 1998 betreffende inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en vermogensbelasting. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd het beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende stelde vervolgens cassatie in bij de Hoge Raad.

Tijdens de cassatieprocedure werd door belanghebbende nieuwe getuigenverklaringen ingebracht die de feiten zoals vastgesteld door het Hof zouden weerleggen. De Hoge Raad oordeelde echter dat deze nieuwe verklaringen niet in de cassatieprocedure kunnen worden betrokken, omdat toetsing van de feitenvaststelling beperkt is tot de stukken die voor het Hof aanwezig waren.

Een belangrijk cassatiemiddel betrof de vraag of de navorderingstermijn van twaalf jaar uit artikel 16 lid 4 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verenigbaar is met het recht van de Europese Gemeenschappen. De Hoge Raad besloot de behandeling van dit middel aan te houden in afwachting van de prejudiciële uitspraken van het Hof van Justitie in twee zaken die deze vraag betreffen.

De Hoge Raad schorst daarom de cassatieprocedure totdat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan over de prejudiciële vragen. Hiermee wordt de voortgang van de zaak opgeschort om rechtsontwikkeling en rechtszekerheid te waarborgen.

Uitkomst: De Hoge Raad schorst de cassatieprocedure en houdt verdere beslissing aan in afwachting van prejudiciële uitspraken over de navorderingstermijn.

Uitspraak

Nr. 42.511
25 april 2008
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 juli 2005, nr. P02/07344, betreffende na te melden navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de vermogensbelasting.
1. Navorderingsaanslagen, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1995 en 1996 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar belastbare inkomens van respectievelijk ƒ a en ƒ b, en navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting voor de jaren 1996, 1997 en 1998 naar een vermogen van telkens ƒ c. De navorderingsaanslagen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij gezamenlijke uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak mondeling doen toelichten door mr. J.J.M. Hertoghs en mr. dr. G.J.M.E. de Bont, advocaten te Breda.
De Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw heeft op 29 mei 2007 geconcludeerd dat de bij mondeling pleidooi te berde gebrachte kwestie van de gewijzigde getuigenverklaringen niet tot cassatie van 's Hofs uitspraak kan leiden en afgezien van conclusie met betrekking tot de in het beroepschrift aangevoerde middelen.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Bij pleidooi heeft de advocaat van belanghebbende processen-verbaal overgelegd van terechtzittingen van de strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, welke terechtzittingen hebben plaatsgevonden nadat in de onderhavige belastingzaak beroep in cassatie was ingesteld. In die processen-verbaal zijn verklaringen opgenomen van getuigen wier eerdere, tegenover FIOD-ambtenaren afgelegde verklaringen als bewijsmiddel zijn gebezigd in de bestreden uitspraak (van de belastingkamer van datzelfde hof). Naar zeggen van belanghebbende zijn de feiten waarvan in de bestreden uitspraak is uitgegaan, door de nieuwe getuigenverklaringen weerlegd, althans gerectificeerd. Hij verzoekt de Hoge Raad om bij de toetsing van de motiveringsklacht tegen 's Hofs feitenvaststelling acht te slaan op de nieuwe getuigenverklaringen.
Dit verzoek is niet vatbaar voor inwilliging, omdat de begrijpelijkheid van 's Hofs bewijsoordelen beoordeeld dient te worden in het licht van - uitsluitend - de stukken van het geding voor het Hof.
3.2.1. Middel VIII strekt onder meer ten betoge dat de navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in strijd is met het EG-recht.
3.2.2. De beoordeling van dit middel wordt in zoverre aangehouden in verband met de bij arresten van de Hoge Raad van 21 maart 2008, nrs. 43050 en 43670, NTFR 2008/614 en 615 gedane verzoeken aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om uitspraak te doen over prejudiciële vragen over deze materie.
3.3. De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van de verzoeken om een prejudiciële beslissing in de zaken 43050 en 43670 uitspraak heeft gedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, C.J.J. van Maanen, J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2008.