ECLI:NL:HR:2008:BC2610
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terbeschikkingstellingsregeling en discriminatieverbod in inkomstenbelasting
Belanghebbenden, houders van aanmerkelijk belang in vennootschappen, hadden voor het jaar 2001 aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd gekregen waarbij de helft van hun inkomsten uit verhuur en rente werd aangemerkt als resultaat uit werkzaamheid op grond van artikel 3.92 Wet IB 2001. Na bezwaar en beroep bij rechtbank en hof werd de aanslag deels verminderd, maar het hof bevestigde de toepassing van de terbeschikkingstellingsregeling.
In cassatie stond centraal of deze regeling leidt tot een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van gelijke gevallen in strijd met het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR Pro en artikel 14 EVRM Pro. De Hoge Raad overwoog dat niet iedere ongelijke behandeling verboden is, maar alleen die zonder objectieve en redelijke rechtvaardiging. De wetgever heeft een ruime beoordelingsvrijheid op fiscaal gebied.
De Hoge Raad concludeerde dat de wetgever de terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen aan een vennootschap door een aanmerkelijkbelanghouder als een werkzaamheid heeft aangemerkt om belastingontwijking te voorkomen en een gelijk speelveld te creëren tussen ondernemers met verschillende rechtsvormen. Deze keuze valt binnen de ruime beoordelingsmarge en is niet onredelijk. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof bekrachtigd.