Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
Inleiding
Jurispr.blz. I-11531, punt 55) alsmede de bestrijding van belastingfraude (zie met name arrest van 11 oktober 2007, ELISA, C-451/05,
Jurispr.blz. I-8251, punt 81) dwingende redenen van algemeen belang vormen, die een beperking van de uitoefening van de door het EG-Verdrag gegarandeerde vrijheden van verkeer kunnen rechtvaardigen.
nodigwas.
ex nuncbenadering echter onjuist. Waar het om gaat, is of de Inspecteur
ex tuncbeschouwd, dus beoordeeld op het moment dat hij geconfronteerd werd met de taak om de benodigde gegevens voor het opleggen van de aanslag te verzamelen en vervolgens de aanslag op te leggen, zijn taak voortvarend ter hand heeft genomen. Daarbij geldt dat hij een redelijke vrijheid heeft bij het inrichten en prioriteren van zijn werkzaamheden. Die vrijheid is evenwel niet onbegrensd. De werkzaamheden moeten zodanig zijn georganiseerd en ingericht dat dat een voortvarende behandeling voldoende is gewaarborgd. Het Europeesrechtelijke evenredigheidsbeginsel vereist niet dat men een strengere toets aanlegt (zie Hoge Raad 28 maart 2014, 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689).
nietvoldoende voortvarend gehandeld heeft.
Door het Hof te hanteren rechtskader’ en de aldaar vermelde jurisprudentie.
5.Beslissing
- verklaartde hoger beroepen ongegrond;
- bevestigtde uitspraak van de Rechtbank;
- veroordeeltde Staat tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 500.