Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2008:BC4763

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
44076
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.82 Wet IB 2001Art. 6 lid 2 Wet op de loonbelasting 1964Art. 2 lid 1 Wet op de loonbelasting 1964Art. 15, § 3, aanhef en onder 1e belastingverdrag Nederland-België
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belastingheffing voordeel ter beschikking gestelde auto grensarbeider met buitenlandse werkgever

Belanghebbende, een in Nederland wonende grensarbeider die in België werkt voor een werkgever zonder Nederlandse vaste inrichting, kreeg voor de jaren 2001 en 2002 aanslagen inkomstenbelasting opgelegd over het voordeel van een ter beschikking gestelde auto. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd het standpunt van belanghebbende dat de auto niet belastbaar was vanwege het ontbreken van inhoudingsplicht van de werkgever verworpen.

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof dat het voordeel uit de auto wel degelijk tot het belastbare inkomen behoort. De vrijstelling van inhoudingsplicht voor de buitenlandse werkgever betekent niet dat de werkgever niet als inhoudingsplichtige wordt beschouwd in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964. Hierdoor is artikel 3.82 Wet IB 2001 van toepassing.

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en wijst een veroordeling in proceskosten af. Hiermee is bevestigd dat het voordeel uit de auto belastbaar is, ondanks de grensarbeiderssituatie en de buitenlandse werkgever zonder Nederlandse vaste inrichting.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het voordeel uit de ter beschikking gestelde auto blijft belast.

Uitspraak

Nr. 44.076
20 juni 2008
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraken van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 april 2007, nrs. 04/01699 en 04/01700, betreffende aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2001 en 2002 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep bij afzonderlijke uitspraken ongegrond verklaard. De uitspraken van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraken bij één geschrift beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 29 januari 2008 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
In de onderhavige jaren (2001 en 2002) woonde belanghebbende in Z, en werkte hij in Q in dienstbetrekking bij een werkgever die aldaar een vaste inrichting had. Die werkgever beschikte in Nederland niet over een vaste inrichting of een in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger.
Aan belanghebbende is door de werkgever een auto ter beschikking gesteld die ook voor privédoeleinden werd gebruikt.
3.2. Voor het Hof was terecht niet in geschil dat de belastingheffing over belanghebbendes salaris op grond van artikel 15, § 3, aanhef en onder 1e, van het tussen Nederland en België geldende verdrag ter voorkoming van dubbele belasting was toegewezen aan Nederland. De andersluidende vaststelling in onderdeel 2.2 van 's Hofs uitspraak berust op een kennelijke misslag.
3.3. Voor het Hof was in geschil of het voordeel dat belanghebbende had uit de hem ter beschikking gestelde auto behoorde tot zijn belastbare inkomen uit werk en woning. Belanghebbende beantwoordde deze vraag ontkennend op de grond dat zijn werkgever blijkens artikel 6, lid 2, van de Wet op de loonbelasting 1964 niet als inhoudingsplichtige wordt beschouwd, zodat hijzelf geen werknemer is in de zin van artikel 2, lid 1, van die wet, met gevolg dat artikel 3.82, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001 (tekst tot 1 januari 2006) op hem geen toepassing kan vinden.
3.4. Het Hof heeft dit standpunt van belanghebbende terecht verworpen. Zoals ook volgt uit het slot van onderdeel 3.2 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, wordt met het woord "beschouwd" in artikel 6, lid 2, van de Wet op de loonbelasting 1964 tot uitdrukking gebracht dat belanghebbendes werkgever, hoewel van inhoudingsplicht vrijgesteld, niet de status verliest van inhoudingsplichtige als bedoeld in lid 1 van dat artikel. De middelen stuiten hierop af.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen, C. Schaap, J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2008.