Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Oordeel van de rechtbank
Geschil8. In geschil is of de navorderingsaanslag terecht is vastgesteld. Meer in het bijzonder houdt partijen verdeeld de vraag of de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) toepassing vindt. De aanwezigheid van een navordering rechtvaardigend feit is als zodanig niet in geschil.
5.Beoordeling van het geschil
in alle openheid naar de belastingdienst toe[cursief Hof] aanhield voor haar bedrijfsontvangsten. Artikel 16, lid 4, Awr is op een aldus verkregen en betaald bestanddeel naar zijn strekking niet van toepassing.”
een navorderingstermijn van vijf jaar (…) niet doeltreffend [is] omdat de fiscus in de praktijk pas veel later op de hoogte komt van verzwegen vermogen of inkomen in het buitenland.”, en hetgeen daarover daarna is opmerkt “
Deze rechtvaardigingsgrond geldt naar mijn oordeel ook voor andere in het buitenland opgekomen inkomensbestanddelen die - naar men moet aannemen - met opzet buiten het controlebereik van de Nederlandse fiscus zijn gehouden.” (Kamerstukken II 1989/90, 21.423, nr. 3, blz. 2-3) , zoals ook geciteerd in rechtsoverweging 15 van de uitspraak van de rechtbank.
feiten, die wegens een gebrek aan controlemogelijkheden ‘verborgen’ zijn gebleven voor de fiscus en niet om (een andere) interpretatie van aan de fiscus wél bekend gemaakte feiten (vgl. bijlage bij de conclusie van de Advocaten-Generaal Overgaauw en Niessen bij het arrest HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5950, BNB 2006/63, 3.18-3.19). Hieruit leidt het Hof af dat, indien een bepaald inkomensbestanddeel in de aangifte van belanghebbende is opgenomen, de aanslag vervolgens conform die aangifte is vastgesteld en zich nadien een nieuw feit als bedoeld in artikel 16, lid 1, AWR heeft voorgedaan - bijvoorbeeld omdat (zoals in casu) op grond van nadere gegevens de in de aangifte gepresenteerde kwalificatie van het voordeel onjuist blijkt te zijn - de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR niet van toepassing is, aangezien dan sprake is van ‘directe zichtbaarheid’ van het betreffende inkomensbestanddeel. Deze strekking vindt bevestiging in de onder 5.3.4 aangehaalde wetsgeschiedenis, waarin is vastgelegd dat de verlengde navorderingstermijn evenmin is bedoeld om de fiscus in de gelegenheid te stellen om 'normale' geschilpunten zoals het al dan niet toerekenen van een bepaald winstbestanddeel aan het resultaat van een buitenlandse vaste inrichting, na verloop van vele jaren nog aan de orde te stellen.
6.Kosten
7.Beslissing
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten in hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 1.518;
- bepaalt dat van de inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 532.
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op
www.hogeraad.nl.
Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.