Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie te Den Haag, door tussenkomst
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende vordert vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase van een belastingprocedure over navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting over de jaren 1993-2000.
Het gerechtshof ’s-Gravenhage had eerder de navorderingsaanslagen deels vernietigd en deels gehandhaafd. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het niet had beslist op het verzoek tot vergoeding immateriële schade en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam.
Het Hof stelt vast dat de bezwaarprocedure 1 jaar en 1 maand duurde en de beroepsprocedure 7 jaar en 10 maanden, tezamen bijna 9 jaar. Gezien de complexiteit van de zaak en coördinatie met andere zaken acht het Hof een redelijke termijn van 1,5 jaar voor bezwaar en 2,5 jaar voor beroep passend. De overschrijding van ruim 4 jaar wordt volledig toegerekend aan de beroepsfase.
Het Hof kent een forfaitaire vergoeding toe van €500 per halfjaar termijnoverschrijding, in totaal €5.000. Vergoeding van wettelijke rente over de immateriële schade wordt afgewezen, evenals rente over eventuele late betaling na uitspraak. De Staat wordt tevens veroordeeld tot een proceskostenvergoeding van €137.
De uitspraak is gedaan door het Gerechtshof Amsterdam op 16 oktober 2014.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €5.000 immateriële schadevergoeding en €137 proceskostenvergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.