ECLI:NL:HR:2008:BC8414

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11307HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt lagere rechterlijke beslissing over kinderalimentatie en toepassing TREMA-normen

De moeder verzocht de rechtbank Haarlem om vaststelling van kinderalimentatie voor haar minderjarige zoon, waarbij zij een bedrag van €150 per maand voor de periode vanaf augustus 2004 en €260 per maand daarna vorderde. De vader bestreed dit verzoek en vroeg tevens om uitbreiding van de omgangsregeling.

De rechtbank bepaalde bij beschikking van 4 juli 2006 dat de vader €230 per maand zou betalen vanaf 1 februari 2006 en stelde een omgangsregeling vast. De vader ging in hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam, dat bij beschikking van 7 juni 2007 de beschikking van de rechtbank vernietigde en de bijdrage vaststelde op €70 per maand vanaf dezelfde datum.

De moeder stelde beroep in cassatie in tegen deze beschikking van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de moeder niet tot cassatie konden leiden en wees het beroep af. De uitspraak bevestigt de toepassing van de TREMA-normen bij de vaststelling van de behoefte voor kinderalimentatie en benadrukt dat de klachten niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaken.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de vastgestelde kinderalimentatie van €70 per maand.

Uitspraak

16 mei 2008
Eerste Kamer
Nr. 07/11307HR
EV/AG
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven,
t e g e n
[De vader],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de vader.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 30 januari 2006 ter griffie van de rechtbank Haarlem ingediend verzoekschrift heeft de moeder zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, te bepalen dat de vader als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zoon van partijen, [de zoon] een bedrag van € 150,-- per maand zal betalen over de periode van 1 augustus 2004 tot de datum van indiening van het verzoekschrift en een bedrag van € 260,-- per maand voor de periode daarna.
De vader heeft het verzoek bestreden en zijnerzijds een verzoek ingediend tot uitbreiding van de tussen partijen overeengekomen omgangsregeling.
De rechtbank heeft bij beschikking van 4 juli 2006 bepaald dat de vader met ingang van 1 februari 2006 aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, € 230,-- per maand zal betalen. De rechtbank heeft voorts een omgangsregeling vastgesteld.
Tegen deze beschikking heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 7 juni 2007 heeft het hof de bestreden beschikking vernietigd en met ingang van 1 februari 2006 de door de vader verschuldigde bijdrage bepaald op € 70,-- per maand.De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vader heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 16 mei 2008.