ECLI:NL:CRVB:2012:BW5721
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking WW-uitkering en oplegging boete wegens schending inlichtingenplicht
Betrokkene kreeg zijn WW-uitkering ingetrokken en een bedrag van €8.677,58 teruggevorderd wegens onverschuldigde uitkering. Tevens werd een boete van €869 opgelegd wegens niet-naleving van de inlichtingenplicht. De rechtbank oordeelde dat sprake was van verminderde verwijtbaarheid en halveerde de boete, maar vernietigde het besluit en beval een nieuwe beslissing op bezwaar.
Appellant stelde hoger beroep in en handhaafde de boete na herbeoordeling door een toetsingscommissie. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de boete terecht was opgelegd, de verminderde verwijtbaarheid niet aannemelijk was en het benadelingsbedrag niet te hoog was vastgesteld.
De Raad stelde dat de redelijke termijn niet was overschreden en dat de boete een evenredige sanctie vormde gezien de ernst van de overtreding en persoonlijke omstandigheden. De aangevallen uitspraak werd vernietigd voor zover een nieuwe beslissing op bezwaar werd opgedragen en het beroep tegen het handhavingsbesluit werd ongegrond verklaard.
De Raad veroordeelde appellant tot vergoeding van proceskosten van €1.311. De zaak betreft het zorgvuldig toetsen van boetes bij schending van de inlichtingenplicht onder de WW en de toepassing van redelijke termijncriteria.
Uitkomst: De boete wegens schending van de inlichtingenplicht wordt gehandhaafd en het beroep tegen deze handhaving is ongegrond verklaard.