Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2008:BF3301

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11966
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie

De verdachte was ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in voorlopige hechtenis. Na het instellen van het cassatieberoep op 8 maart 2006 duurde het meer dan zestien maanden voordat de Hoge Raad uitspraak deed. Door vertraging bij de inzending van de stukken kon de zaak pas na meer dan negentien maanden worden behandeld.

De Hoge Raad oordeelde dat deze overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, gegrond was. Als gevolg daarvan werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd met zeven maanden, van zes jaar naar vijf jaar en vijf maanden. De overige middelen van het cassatieberoep werden verworpen omdat deze niet tot cassatie konden leiden.

De uitspraak benadrukt het belang van een tijdige behandeling van cassatiezaken, zeker wanneer de verdachte in voorlopige hechtenis verblijft. De Hoge Raad stelde vast dat ondanks de vertraging geen andere gronden voor vernietiging aanwezig waren en handhaafde het arrest, behalve de strafduur.

Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd met zeven maanden vanwege overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Uitspraak

18 november 2008
Strafkamer
nr. 07/11966
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 maart 2006, nummer 23/005916-04, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Haaglanden, locatie Zoetermeer" te Zoetermeer.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
2.2. De verdachte werd veroordeeld, voor zover hier van belang, tot een gevangenisstraf van zes jaren.
2.3. Het middel is gegrond. De verdachte, die zich ten tijde van de betekening van de aanzegging in voorlopige hechtenis bevond, heeft op 8 maart 2006 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 19 oktober 2007 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in aanzienlijke mate is overschreden.
2.4. In de omstandigheid dat de Hoge Raad als gevolg van de vertraging bij de inzending van de stukken van het geding de zaak pas in behandeling heeft kunnen nemen nadat al meer dan negentien maanden waren verstreken na het instellen van het cassatieberoep, vindt de Hoge Raad in dit geval aanleiding de opgelegde gevangenisstraf te verminderen met zeven maanden.
3. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en vijf maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 18 november 2008.