ECLI:NL:PHR:2010:BI8501
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot invordering accijns bij niet-aankomst accijnsgoederen op bestemming
In deze zaak draait het om de vraag of Nederland bevoegd is accijns na te heffen over sigaretten die vanuit een Nederlandse accijnsgoederenplaats (AGP) naar derde landen werden verzonden, maar niet op de op documenten vermelde bestemming zijn aangekomen. Belanghebbende stelde dat de accijns niet verschuldigd was omdat de goederen niet tot binnenlands verbruik hadden gediend en dat de termijn van vier maanden voor bewijslevering niet correct was toegepast.
De Hoge Raad bevestigt dat volgens artikel 86a, lid 4, van de Wet op de accijns en artikel 20 van Pro Richtlijn 92/12/EEG, de accijns verschuldigd wordt in de lidstaat waar de onregelmatigheid is begaan, of bij onbekendheid daarvan, in de lidstaat van verzending. De termijn van vier maanden om aan te tonen dat de onregelmatigheid elders is begaan, is bindend tenzij de belastingplichtige niet tijdig op de hoogte was van de onregelmatigheid.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende redelijkerwijs op 6 november 2002 op de hoogte had kunnen zijn van de onregelmatigheid, waardoor de termijn van vier maanden niet werd overschreden. De verklaringen van chauffeurs dat de goederen elders waren afgeleverd werden daarom niet toegelaten als bewijs. De Hoge Raad ondersteunt dit oordeel en wijst erop dat het verdedigingsbeginsel in acht is genomen.
Verder verduidelijkt de Hoge Raad het systeem van accijnsheffing onder schorsing, de rol van administratieve geleidedocumenten (AGD's), en de bewijslastverdeling bij niet-zuivering van schorsingsregelingen. Ook wordt ingegaan op de gevolgen van het ontbreken van een afgetekend exemplaar van het AGD en de toepassing van Europese jurisprudentie over het verdedigingsbeginsel en termijnen voor bewijslevering.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt bevoegdheid Nederland tot naheffing accijns en juiste toepassing termijn van vier maanden.