ECLI:NL:HR:2009:BD3569
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat feitelijke macht bepalend is voor grondwaterheffingsplicht
Belanghebbende, een onderneming in woninginrichtingsgoederen, kreeg voor 2001 een aanslag in de grondwaterheffing opgelegd door de provincie Gelderland. Na bezwaar werd de aanslag verminderd, maar het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en vernietigde de aanslag en uitspraak van de Inspecteur.
Het College van Gedeputeerde Staten stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak. Centrale vraag was of belanghebbende als houder van een inrichting in de zin van de Grondwaterwet heffingsplichtig was. Het Hof oordeelde dat inschrijving in het register niet beslissend is; de feitelijke macht over de inrichting is doorslaggevend.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. De Hoge Raad benadrukte dat inschrijving in het register niet automatisch heffingsplicht impliceert. Het College werd veroordeeld in de proceskosten, die door de provincie Gelderland moeten worden gedragen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van het College is ongegrond verklaard en de uitspraak van het Hof bevestigd.