ECLI:NL:HR:2009:BF3856
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- J.A.C.A. Overgaauw
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Vennootschapsbelastingheffing bij cessie om niet van huurtermijnen door aandeelhouder
Belanghebbende, een vennootschap die zich bezighoudt met vermogensbeheer, kreeg van haar aandeelhouder A de toekomstige huurtermijnen van twee onroerende zaken om niet gecedeerd. De vennootschap nam de contante waarde van deze huurtermijnen als actiefpost op haar balans en schreef deze jaarlijks af. De vraag was of de afschrijvingen ten laste van de winst mochten worden gebracht.
De Rechtbank Haarlem stelde het verlies van belanghebbende vast en verhoogde dit na bezwaar. Het Hof Amsterdam vernietigde deze uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het voordeel uit de cessie tot de winst van de vennootschap moest worden gerekend en dat afschrijvingen op de actiefpost niet als last konden worden genomen.
De Hoge Raad oordeelde dat de terbeschikkingstellingsregeling van artikel 3.92 Wet IB 2001 niet van toepassing is op de cessie van huurtermijnen als vermogensbestanddelen. De belastingheffing over de huurtermijnen vindt plaats in box 3 bij de aandeelhouder. Daarom is er geen reden om het voordeel bij de vennootschap tot de winst te rekenen en afschrijvingen ten laste van de winst te weigeren. Het Hof had een onjuiste rechtsopvatting en het arrest werd vernietigd, waarbij de uitspraak van de Rechtbank werd bevestigd.
De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris van Financiën en de Inspecteur in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank dat het voordeel uit cessie om niet van huurtermijnen niet tot de winst van de vennootschap behoort.