ECLI:NL:PHR:2011:BR0664
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoofdprijs oudejaarsloterij behoort tot rendementsgrondslag box 3 in 2004
Belanghebbende won op 31 december 2004 de hoofdprijs van €20.000.000 in de oudejaarsloterij. De vraag was of deze prijs per die datum tot de rendementsgrondslag van box 3 van de Wet IB 2001 behoort, ondanks dat de prijs pas op 4 januari 2005 werd uitgekeerd.
De Rechtbank en het Hof stelden dat de prijs terecht tot de rendementsgrondslag werd gerekend, omdat de wetgever bewust een forfaitair systeem hanteert waarbij het moment van verkrijging of uitbetaling niet bepalend is. Belanghebbende voerde onder meer aan dat het lot pas waarde had bij erkenning door de Staatsloterij en dat het lot in 2004 geen rendement kon opleveren, wat volgens haar niet tot de heffingsgrondslag mocht leiden.
De Hoge Raad bevestigt dat de rendementsgrondslag wordt bepaald op basis van de waarde in het economische verkeer ultimo kalenderjaar, waarbij de forfaitaire rendementsheffing uitgaat van een fictief rendement van 4%. De prijswinnende loten hebben per 31 december 2004 een economische waarde gelijk aan de prijs, ook al is de uitbetaling later. De vermogensrendementsheffing vertoont trekken van een vermogensbelasting, maar wordt door de wetgever als een belasting naar inkomen beschouwd. De Hoge Raad oordeelt dat de heffing niet in strijd is met het eigendomsrecht onder artikel 1 Eerste Pro Protocol EVRM, mede vanwege de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever en het ontbreken van een buitensporige last voor belanghebbende.
De klachten van belanghebbende worden ongegrond verklaard en het beroep in cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de prijs van het lot per 31 december 2004 tot de rendementsgrondslag van box 3 behoort en dat dit niet in strijd is met het eigendomsrecht.