ECLI:NL:HR:2009:BG4220
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Vermindering jeugddetentie wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
In deze jeugdzaak heeft de Hoge Raad op 6 januari 2009 uitspraak gedaan over een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De zaak betrof een verdachte die ten tijde van de aanzegging gedetineerd was in een penitentiaire inrichting. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, met een voorstel tot strafvermindering.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof alleen voor de duur van de opgelegde jeugddetentie en stelde deze vast op 77 dagen, waarbij het beroep voor het overige werd verworpen. Het cassatieberoep bevatte meerdere middelen, waarvan de eerste drie niet tot cassatie konden leiden. Het vierde middel betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.
De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep plaatsvond. Dit leidde tot een strafvermindering van 7 dagen jeugddetentie. De overige klachten werden verworpen en het arrest werd dienovereenkomstig aangepast.
Uitkomst: De opgelegde jeugddetentie wordt verminderd tot 77 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn.