(i) De rechtbank Maastricht heeft de verdachte op 20 juni 2012 op tegenspraak van het ten laste gelegde vrijgesproken.
(ii) Het openbaar ministerie heeft op 29 juni 2012 tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
(iii) Een akte van uitreiking, gehecht aan de appeldagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 28 oktober 2013, houdt in dat de appeldagvaarding op 12 september 2013 tevergeefs is aangeboden op het adres [a-straat 1] in Leeuwarden en vervolgens, na niet te zijn afgehaald op het postkantoor, op 25 september 2013 is aangeboden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant. Een afschrift van de appeldagvaarding is op 25 september 2013 verzonden aan het voornoemde adres van de verdachte in Leeuwarden.
(iv) De aan de appeldagvaarding gehechte ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 25 september 2013 houdt in dat de verdachte niet was gedetineerd en dat hij met ingang van 5 augustus 2013 in de GBA stond ingeschreven op het adres [a-straat 1] in Leeuwarden.
(v) Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2013 blijkt dat de verdachte aldaar niet is verschenen. Wel is de raadsman van de verdachte, W.R. Smeets, verschenen, die door de verdachte uitdrukkelijk is gemachtigd de verdediging te voeren. Hij heeft opgemerkt dat de verdachte wegens ziekte niet is verschenen. De raadsman heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden, om de inhoud van aanvullende stukken met de verdachte te bespreken en eventueel naar aanleiding van die stukken onderzoekswensen te formuleren. Het hof heeft vervolgens de behandeling van de zaak aangehouden.
(vi) Op 27 januari 2014 is het onderzoek ter terechtzitting voortgezet. Noch de verdachte noch diens raadsman is verschenen. Uit het proces-verbaal van deze terechtzitting blijkt dat de verdediging bij brief van 18 november 2013 heeft verzocht de medeverdachte [medeverdachte 1] als getuige te doen horen. Het hof heeft dat getuigenverzoek op de terechtzitting van 27 januari 2014 toegewezen en heeft de behandeling van de zaak aangehouden teneinde de stukken in de handen van de raadsheer-commissaris te stellen en [medeverdachte 1] als getuige te horen.
(vii) De oproeping van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 17 februari 2016 is op 12 januari 2016 tevergeefs aangeboden op het adres [b-straat 1] in Leeuwarden en vervolgens, na niet te zijn afgehaald op het postkantoor, op 26 januari 2016 aangeboden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant. Voorts is op 26 januari 2016 een afschrift van de oproeping verzonden naar het voornoemde adres van de verdachte in Leeuwarden.
(viii) De aan de oproeping gehechte ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 26 januari 2016 houdt in dat de verdachte niet was gedetineerd en dat hij met ingang van 29 april 2015 in de GBA stond ingeschreven op het adres [b-straat 1] in Leeuwarden.
(ix) Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2016 blijkt dat de verdachte aldaar niet is verschenen. Het proces-verbaal houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. W.R. Smeets, advocaat te Maastricht, die verklaart dat hij niet uitdrukkelijk gemachtigd is om namens de verdachte de verdediging te voeren, nu hij geen contact met zijn cliënt heeft kunnen krijgen.