ECLI:NL:HR:2009:BG5966
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt bewezenverklaring wegens onvoldoende motivering en bewijs te Rotterdam
In deze strafzaak stond verdachte terecht wegens het voorhanden hebben van een geldbedrag dat vermoedelijk uit een misdrijf afkomstig was. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte in mei 2004 te Rotterdam een geldbedrag had ontvangen waarvan hij redelijkerwijs moest vermoeden dat het uit enig misdrijf afkomstig was.
De bewezenverklaring steunde op verklaringen van verdachte zelf, verklaringen van betrokkenen en bankafschriften. Verdachte verklaarde dat hij via een contactpersoon een bankrekening ter beschikking had gesteld en geld had opgenomen dat later aan die persoon werd gegeven. Het hof achtte echter de verklaring van verdachte over de sportschool en de aard van de contacten niet aannemelijk.
De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat het geldbedrag te Rotterdam voorhanden was geweest en dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen was omkleed. Ook was het onjuist om een verklaring die het hof zelf onaannemelijk achtte als bewijs te gebruiken.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.