Conclusie
2.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
middel van cassatieklaagt over schending van art. 27 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht en art. 5 EVRM Pro, vanwege het oordeel dat voor de uitleg van de opgelegde straf de inhoud van het gehele arrest van de strafkamer van het hof moet worden bezien en de strafkamer van het hof kennelijk heeft bedoeld dat het voorarrest slechts in mindering wordt gebracht op het onvoorwaardelijk opgelegde gedeelte van de gevangenisstraf en vanwege de gevolgtrekking dat de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde gedeelte van de straf daarom niet onrechtmatig is te achten. Primair klaagt het middel dat er geen ruimte is om met dergelijke ‘bedoelingen’ rekening te houden. De strafrechter wordt geacht zijn bedoelingen ten aanzien van de hoogte van de straf tot uitdrukking te brengen in het dictum; dat uitgangspunt biedt geen ruimte om daar ‘bedoelingen’ bij te halen die overigens uit het vonnis/arrest van de strafrechter zouden zijn af te leiden. Het dictum zelf is in deze zaak eenduidig. Acht maanden gevangenisstraf met aftrek van acht maanden voorarrest betekent dat er nu geen straf meer te executeren valt. Zelfs als er ruimte voor een teleologische interpretatie van het vonnis zou zijn, dan weegt de slechts voor één uitleg vatbare formulering van de strafmaat in het dictum dusdanig zwaar dat elke daarvan afwijkende overweging omtrent de bedoelingen van de strafrechter daarbij in het niet valt. Subsidiair klaagt eiser dat onbegrijpelijk is waarom het hof voorrang geeft aan een veronderstelde bedoeling van de strafrechter, terwijl – gezien het dictum van het strafarrest – een tegengestelde lezing voor de hand ligt.
kaneen overeenkomstig bevel geven bij het opleggen van een geldboete. Indien hij dit bevel geeft, bepaalt hij in zijn uitspraak volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden (art. 27 lid 3 Sr Pro) [5] .
nietwordt ten uitvoer gelegd. Eerst ingeval het onvoorwaardelijk deel ontoereikend is om de preventieve detentie te dekken, dient de verrekening zich uit te strekken tot het voorwaardelijk deel, voor het geval daarvan de tenuitvoerlegging zal worden gelast.
3.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
klacht onder 1.1houdt in dat het hof met deze beslissing in strijd met art. 24 Rv Pro buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep is getreden, althans de feitelijke grondslag van de vordering heeft aangevuld, althans een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven. Volgens de Staat heeft geen van partijen gesteld dat eiser een gratieverzoek heeft ingediend of zou gaan indienen, noch is een rechterlijk bevel op deze grondslag gevorderd zoals het hof heeft toegewezen. Indien het hof deze grondslag heeft gezien in de appeldagvaarding onder 3.2, waarin de mogelijkheid van een gratieverzoek ter sprake kwam, acht de Staat deze uitleg onbegrijpelijk omdat die stellingen slechts door eiser naar voren zijn gebracht in het kader van de spoedeisendheid van de behandeling van het hoger beroep.
klacht onder 1.2houdt in dat het hof heeft miskend dat een gratieverzoek in een geval als het onderhavige – waarin het gaat om een vrijheidsstraf van zes maanden of minder, waarvan de tenuitvoerlegging nog niet is aangevangen – de tenuitvoerlegging van die straf van rechtswege opschort: zie art. 558a lid 1 Sv. In ieder geval had eiser, gelet op deze wettelijke bepaling, rechtens geen belang bij de gevorderde voorziening. Subsidiair verbindt het middelonderdeel hieraan een motiveringsklacht.
klacht onder 1.3is voorwaardelijk voorgedragen. De tweede, derde en vierde volzin van rov. 8 staan louter in het teken van de kansen van eiser in een gratieprocedure. Om die reden is niet voldaan aan de voorwaarde waaronder dit middelonderdeel is voorgedragen.
klacht onder 1.4betreft de beslissing tot compensatie van de proceskosten, op de grond dat elk van beide partijen gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld (rov. 9). Deze klacht deelt het lot van de voorgaande klachten en behoeft hier geen bespreking.
Onderdeel 2van het incidenteel middel keert zich tegen de – impliciete – verwerping van het verweer van de Staat dat het openbaar ministerie reeds op grond van het arrest van 10 maart 2015 gehouden was tot executie van het voorwaardelijk opgelegde gedeelte van de gevangenisstraf. De klacht is onder 2.1 uitgewerkt met het argument dat, nadat de t.u.l.-rechter ingevolge art. 14g Sr de tenuitvoerlegging heeft gelast, het noch het openbaar ministerie noch in een executiegeschil de burgerlijke rechter vrij staat om de beslissing van de rechter die de straf heeft opgelegd eigenstandig uit te leggen. Volgens de Staat moeten zowel het openbaar ministerie als de burgerlijke rechter uitgaan van de door de t.u.l.-rechter aan dat vonnis gegeven uitleg. Indien de t.u.l.-rechter de tenuitvoerlegging gelast, impliceert dat volgens de Staat tevens het oordeel dat nog een straf resteert: immers, indien de t.u.l.-rechter van oordeel zou zijn dat het ondergane voorarrest óók in mindering dient te worden gebracht op het voorwaardelijk opgelegde deel van de straf, brengt de t.u.l.-rechter dit tot uitdrukking in zijn beslissing: hetzij door het openbaar ministerie in zijn vordering tot tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk te verklaren, hetzij door de vordering van het openbaar ministerie af te wijzen. Het voorgaande geldt in ieder geval indien de veroordeelde in de procedure bij de t.u.l.-rechter een hierop gericht verweer heeft gevoerd. Subsidiair verbindt de Staat onder 2.2 hieraan een motiveringsklacht.