ECLI:NL:HR:2009:BG5979
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- J. de Hullu
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt weigering doorbreking medisch verschoningsrecht ondanks verdenking ernstige mishandeling en doodslag
In deze zaak stond centraal de vraag of het medisch verschoningsrecht van artsen doorbroken mocht worden in een strafrechtelijk onderzoek naar de dood van een tien maanden oud kind, waarbij de moeder als verdachte werd aangemerkt. Het Leids Universitair Medisch Centrum en betrokken artsen weigerden medische gegevens te verstrekken aan het Openbaar Ministerie, ondanks toestemming van de ouders, vanwege hun beroepsgeheim en verschoningsrecht.
De rechtbank had geoordeeld dat er geen zeer uitzonderlijke omstandigheden waren die een doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigden, mede gelet op de privacygevoeligheid en omvang van de gegevens, en het feit dat de verdenking niet tegen de artsen zelf was gericht. De artsen waren bereid de gegevens ter inzage te geven aan de patholoog-anatoom van het NFI en op basis daarvan opnieuw te beslissen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat het verschoningsrecht niet wordt opgeheven door toestemming van de patiënt of diens vertegenwoordiger. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen, zoals verdenking tegen de arts zelf, kan het belang van waarheidsvinding prevaleren. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie en handhaafde de bescherming van het medisch beroepsgeheim in deze zaak.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het medisch verschoningsrecht niet doorbroken wordt in deze zaak.