ECLI:NL:HR:2011:BP6144
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- C.H.W.M. Sterk
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Beoordeling uitlevering medisch dossier bij vermoeden dood door schuld in verpleeghuis
De zaak betreft een strafrechtelijk onderzoek naar de niet-natuurlijke dood van een bewoner van een verpleeghuis, waarbij de officier van justitie inzage vordert in het medisch en zorgdossier van de overledene. De Stichting, beheerder van het dossier, beroept zich op het verschoningsrecht en weigert volledige uitlevering. De rechtbank oordeelde dat er zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn die het belang van waarheidsvinding laten prevaleren boven het verschoningsrecht, en verklaarde het klaagschrift ongegrond.
De Hoge Raad bevestigt dat een bevel tot uitlevering aan een verschoningsgerechtigde mogelijk is, mits deze een selectie kan maken van stukken die onder het verschoningsrecht vallen. De Hoge Raad benadrukt dat het verschoningsrecht niet absoluut is en kan worden doorbroken bij zeer uitzonderlijke omstandigheden, zoals een ernstig vermoeden van dood door schuld in het kader van medisch handelen. Ook het nemo tenetur-beginsel biedt geen absolute bescherming tegen uitlevering van gegevens die reeds in een IGZ-rapport zijn verwerkt, zeker als de betrokkene nog niet als verdachte is aangemerkt.
De Hoge Raad verwerpt het beroep in cassatie en bevestigt het belang van een effectief en onafhankelijk onderzoek conform art. 2 EVRM Pro. De beslissing onderstreept de balans tussen het recht op geheimhouding en het maatschappelijk belang bij waarheidsvinding in ernstige strafzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het bevel tot uitlevering van het medisch dossier rechtmatig is en verwerpt het cassatieberoep.